VincentHunink



HOME VERTALINGEN | ALLE PUBLICATIES | INDEX | CONTACT




 


Aurelius Augustinus

KETTERS EN SCHEURMAKERS
(De Haeresibus)

bezorgd, vertaald en toegelicht
doorJoke Gehlen-Springorum en Vincent Hunink
 
(Damon) Budel 20
09

zz

La/Nl, geb., 144 p.; ISBN 978 90 5573 9318
prijs € 18,90

  

Bijna veertig jaar lang heeft Augustinus (354-430) in het Noord-Afrikaanse Hippo Regius de geloofsgemeenschap als predikant gediend. Van heinde en verre kwamen mensen naar deze havenstad om zelf de woorden van de befaamde bisschop te beluisteren of zijn preken in opdracht van anderen op te tekenen. Daarnaast vond Augustinus al in de oudheid zeer vele lezers. Zijn oeuvre beslaat zo'n vijf miljoen woorden in het Latijn.

Tot zijn minder bekende werken behoort een kort overzicht van ketterijen uit zijn eigen tijd. Augustinus schreef het overzicht op verzoek, als cataloog voor christenen die hun vijanden willen leren kennen om ze daardoor des te beter te kunnen bestrijden. Maar in het werk zelf is de polemische toon niet heel uitgesproken en vaak onmerkbaar.

Augustinus levert boeiende informatie over vreemde en bekende ketters, hun opvattingen en verbreiding. In totaal behandelt hij 88 stromingen. Omdat veel ketterse groepen niet meer bestaan en geen geschriften hebben nagelaten geeft het boek een heel interessant tijdsbeeld. Het christendom blijkt in de oudheid pluriformer te zijn geweest dan men in eerste instantie zou vermoeden.

De vertaling is afgedrukt naast de oorspronkelijke Latijnse tekst.

 

 


De vertalers



De vertalers werken al meer dan tien jaar samen binnen een vertaalgroep van het Augustijns Instituut, die zich bezighoudt met preken van Augustinus. Klik boven rechts op de link  'Augustinus-bijdragen op VincentHunink.nl' voor meer info (zoek naar: 'vertaling: preken').

In dit project werken zij voor het eerst samen aan een boekuitgave buiten het kader van de vertaalgroep.

Vincent en Joke aan het werk op het Augustijns Instituut Eindhoven (juni 2008)

 



Teksten

Hieronder als voorbeeldtekst het begin van Augustinus' overzicht.

"Vanaf het moment dat de Heer ten hemel is opgestegen zijn de volgende ketterijen opgekomen.

[1] De Simonisten zijn genoemd naar Simon de Magiër, die werd gedoopt door diaken Filippus. Dat lezen we in de Handelingen van de apostelen. Simon wilde de heilige apostelen geld geven, zodat ook door zijn handoplegging de Heilige Geest op iemand kon neerdalen. Hij had met zijn toverkunsten al heel wat mensen bedrogen. Zijn leer bepleitte een slechte, schaamteloze omgang met vrouwen als gemeenschappelijk bezit. Ook ontkende hij dat God de wereld had gemaakt en dat het lichaam zou verrijzen. Hij claimde de Christus te zijn en wilde tegelijkertijd doorgaan voor Jupiter. En een zekere Helena, een hoertje dat hij tot zijn medeplichtige had gemaakt, zou dan Minerva zijn. Portretten van zichzelf en van dat hoertje gaf hij aan zijn leerlingen om ze te aanbidden. Ook in Rome had hij die portretten officieel laten opstellen als een soort godenbeelden. Het was in die stad dat de apostel Petrus hem liet ombrengen door de sterke arm van de almachtige God.

[2] De Menandrianen zijn genoemd naar Menander, ook een magiër en een leerling van Simon. De schepping van de wereld schreef hij niet toe aan God maar aan de engelen.

[3] De Saturninianen zijn genoemd naar een zekere Saturninus. Door zijn toedoen schijnen de schaamteloze praktijken van Simon vaste voet te hebben gekregen in Syrië. Ook beweerde hij dat zeven engelen de wereld hadden geschapen, geheel zelfstandig, buiten medeweten van God de Vader.

[4] De Basilidianen zijn genoemd naar Basilides. Zijn leer week in zoverre af van die van Simon dat hij geloofde dat er 365 hemelen waren, evenveel als de dagen van een jaar. Daarom beschouwde hij het woord abrasax als heilig. Als je de letters van dat woord optelt volgens de Griekse berekening kom je uit bij het zelfde aantal. Het zijn namelijk zeven letters: α+β+ρ+α+σ+α+ξ. Dat wil zeggen 1+2+100+1+200+1+60: dat is samen 365.

[5] De Nicolaïten zijn genoemd naar Nicolaos, naar men zegt een van de zeven diakens die door de apostelen zijn aangesteld. Toen hij werd beschuldigd van afgunst vanwege zijn beeldschone vrouw wilde hij zijn naam zuiveren. Daarom gaf hij toestemming dat ieder die dat wilde haar mocht hebben, zo wordt verteld. Deze geste van hem heeft geleid tot een uiterst schaamteloze sekte, die vrouwen gebruikt als gemeenschappelijk bezit. Verder maken zij geen onderscheid tussen hun eigen voedsel en dat van de afgoden, en zijn ze ook niet afkerig van andere heidense bijgelovige praktijken. Bovendien vertellen ze bepaalde mythen over de wereld, waarbij ze hun verhalen doorspekken met onbekende, barbaarse vorstennamen om de toehoorders schrik aan te jagen. Maar bij verstandige mensen wekt dat eerder de lachlust op dan vrees. Het schijnt dat ook zij de schepping niet aan God toeschrijven maar aan bepaalde machten die ze in hun buitengewone domheid verzinnen of waar ze echt in geloven.

[6] De Gnostici gaan er prat op dat ze zo worden genoemd, of althans zouden moeten worden genoemd vanwege hun speciale kennis. En dat terwijl ze dommer en slechter dan alle reeds genoemde ketters zijn! Hoe dan ook, ze hebben in de verschillende delen van de wereld verschillende namen. Sommigen noemen hen Borboriten oftewel smeerlappen, vanwege de excessieve schaamteloosheid die ze in hun riten zouden praktiseren. Anderen denken dat ze afstammen van de Nicolaïten, weer anderen van Carpocrates, over wie wij nog te spreken komen.
Hun leerstellingen kennen de meest onwaarschijnlijke verzinsels. Ook zij krijgen de zwakke zielen in hun greep door afschuwelijke namen te geven aan vorsten en engelen. Over God en de natuur brengen ze fantastische verhalen te berde die ver bezijden de waarheid zijn. Ze zeggen dat de ziel een goddelijke natuur heeft. De komst van de ziel in ons lichaam en haar terugkeer naar God omlijsten zij met diezelfde ellenlange, stompzinnige mythen die passen bij hun dwalingen. Daardoor blinken hun gelovigen niet uit door grote kennis, zoals zij zelf denken, maar worden ze door al die fantastische verhalen juist grote blaaskaken als je het mij vraagt. Tot hun stellingen zou ook behoren dat er een goede God is en een slechte God.

[7] De Carpocratianen zijn genoemd naar Carpocrates, die alle soorten liederlijk gedrag onderwees en alle zonden die je maar kunt verzinnen. Als je die niet kende kon je de vorsten en machten, die dol zijn op dat soort dingen, niet passeren en voorbijgaan om een hogere hemel te bereiken. Ook schijnt hij van mening te zijn geweest dat Jezus alleen maar mens was en voortkwam uit een vader en een moeder. Maar Hij had dan wel een ziel gekregen waardoor Hij het hogere kon kennen en verkondigen. De verrijzenis van het lichaam wees hij af, evenals de Wet. Hij zei dat de wereld niet door God was gemaakt maar door bepaalde machten.
Men zegt dat bij die sekte ook een zekere Marcellina hoorde, een vrouw die beelden van Jezus en Paulus, Homerus en Pythagoras vereerde. Ze aanbad die en brandde er wierook voor.

[8] De Cerinthianen zijn genoemd naar Cerinthus, maar heten ook wel Merinthianen naar Merinthus. Ze zeggen dat de wereld door engelen gemaakt is, dat besnijdenis noodzakelijk is en dat nog meer van dit soort wettelijke voorschriften moeten blijven gelden. Ze zijn er zeker van dat Jezus alleen maar mens is geweest en niet is verrezen, nee, die verrijzenis komt nog. Ook zou er na die verrijzenis van Christus een duizendjarig, aards rijk komen, met alle geneugten van buik en onderbuik. Daarom worden ze ook Chiliasten genoemd.

[9] Ook al belijden de Nazoreeën dat Christus de zoon van God is, ze houden zich toch volledig aan de oude Wet. Christenen hebben via de apostolische traditie geleerd dat je die Wet niet naar de letter maar naar de geest moet interpreteren.

[10] Ook de Ebionieten zeggen dat Christus alleen maar mens is. De letterlijke voorschriften van de Wet nemen ze in acht, zoals de besnijdenis en andere belastende dingen waarvan we door het Nieuwe Testament zijn bevrijd.
Aan deze ketterij koppelt Epiphanius de Sampseeën en de Elceseeën. Zo brengt hij ze onder één noemer als ging het om één ketterij, hoewel hij aangeeft dat er bepaalde verschillen bestaan. Maar als hij ze daarna weer ter sprake brengt geeft hij ze elk een eigen naam. Als Eusebius het heeft over de sekte van de Elceseeën, vertelt hij dat je volgens hen bij vervolgingen je geloof mag afzweren, maar wel in je hart moet bewaren."



Recensies


In een grote, halve pagina ruimte innemende bespreking in het Nederlands Dagblad van 20 maart 2009 (Boeken, p.3) gaat   K l a a s  W i e r e n g a   uitvoerig in op het boek. Hij noemt het geschrift van Augustinus 'een kostelijk werk, vakkundig bezorgd, vertaald en toegelicht' door de beide vertalers. Ook merkt hij op: 'bestudering van deze fraaie, tweetalige uitgave noopt tot nederigheid en zelfonderzoek. Moge het werk ruime ingang vinden bij allen die andersdenkenden te vuur en te zwaard bestrijden.'

Klik hier voor een PDF van de volledige recensie (Nederlands Dagblad, 20 maart 2009) (overgenomen met vriendelijke toestemming van de redactie.)

---

Uit de korte bespreking voor NBD Biblion (Nederlandse Bibliotheek Dienst) door W. H. J. v a n  S t i p h o u t:

(...) gedegen inleiding (...) heldere vertaling (...) verzorgde uitgave

---

Kort signalement door D. Q u a n t  in Ambtelijk Contact, juni 2009, p. 461

---

'Uitgever Damon levert in samenwerking met het Augustijns Instituut in Eindhoven opnieuw topklasse in het vertaalwerk'

K l a a s   v a n   d e r   Z w a a g  in Reformatorisch Dagblad 22 april 2009 (over vier nieuwe Augustinus-publicaties, waaronder Ketters en Scheurmakers)

---

'(...) De inleiding vind ik intellectueel zwak omdat men - o zo voorspelbaar - slechts wat politiekcorrect neuzelt over 'tolerantie' en dergelijke, alsof dat hier de kwestie is. Daarbij hanteert men ten aanzien van de hamvraag wat orthodoxie van ketterij onderscheidt een darwinistisch denkschema: orthodoxie is wat 'gewonnen' heeft en meer niet. Dat staat duidelijk op gespannen voet met Augustinus zelf, hoewel ik de vertalers moet toegeven dat de kerkvader soms weinig meer doet dan tieren, in plaats van argumenteren. Hoe dan ook een interessant geschriftje, weer tweetalig uitgegeven.'

HR in Katholiek Nieuwsblad van 8 januari 2009

---

Het boek is vermeld in het prestigieuze wetenschappelijke tijdschrift Bulletin Augustinien pour 2008/2009, p.347, maar zonder verder commentaar.

---

(...) Alles bij elkaar is het buitengewoon leerzaam om in De haeresibus te zien hoe Augustinus met zijn bronnen omgaat. Helaas wordt daar in de inleiding naar mijn smaak onvoldoende aandacht aan geschonken. Volgde hij zijn bronnen slaafs of niet? Wat voegde hij toe, of liet hij juist weg? De eigen inbreng van Augustinus is natuurlijk vooral daar te vinden waar hij de heresieën uit zijn directe omgeving behandelt, zoals die van de manicheeën, de pelagianen en de donatisten. Op die momenten is Augustinus opvallend uitvoerig. Toch valt op dat hij ook dan min of meer descriptief te werk gaat. Hoe deze ketters moeten worden bestreden, met welke argumenten, dat vermeldt hij opvallend genoeg niet. De haeresibus blijft in Ketters en Scheurmakers toch te veel een rariteitenkabinet. Dat had misschien kunnen worden ondervangen, wanneer meer achtergrondinformatie over de verschillende groeperingen zou worden gegeven (...) Het boekje De haeresibus zou - mits dus met enige toelichting - een indruk kunnen geven van de rijk geschakeerde christelijke wereld waarin Augustinus leefde, en hoe hij tegen die niet-katholieke wereld aankeek. Daarnaast kan de vraag worden gesteld of zijn informatie ook altijd werkelijk klopt. Hij schrijft over de Donatisten (§69), dat de stichter Donatus het kerkvolk tegen Caecilianus opzette. Deze wijdde Maiorinus tot bisschop van Carthago, die weer werd opgevolgd door een andere Do-natus (Donatus alius). Kennelijk maakt Augustinus hier onderscheid tussen twee personen die Donatus heetten. Volgens hem was de eerste de stichter. Historisch gezien kennen we alleen de Donatus die Maiorinus opvolgde, aan wie deze christelijke beweging haar naam te danken heeft. Kortom, een historische insteek had wellicht dit boekwerkje meer reliëf kunnen geven.

uit recensie door A r i e   K o o i j m a n  in:  Kerk en Theologie 62, 2010, 280-2

---

signalering  met korte weergave van de inhoud in: Veluwse Kerkbode, vr. 13 januari 2012


latest changes here: 03-10-2012 16:14

 


 


HOME VH / vincenthunink.nl

(c) 2021 V. Hunink

copyright statement  / contact