VincentHunink



HOME VERTALINGEN | ALLE PUBLICATIES | INDEX | CONTACT





APULEIUS
Toverkunsten (Apologia)

vertaald door Vincent Hunink, ingeleid door Rudi van der Paardt
Athenaeum - Polak & Van Gennep, Amsterdam 1992



In 158-159 na Chr. stond de beroemde filosoof, redenaar en schrijver Apuleius van Madauros terecht in de NoordAfrikaanse stad Sabratha. Hij werd ervan beschuldigd een rijke weduwe te hebben verleid door middel van magische praktijken. Apuleius verdedigde zichzelf in een lange, bewaard gebleven redevoering, die gewoonlijk wordt aangeduid als de Apologie

Het is een fascinerend en uniek stuk Romeinse retorica. De Apologie is een amusant en briljant, soms hilarisch betoog, waarin Apuleius werkelijk alle registers openzet. Genadeloos veegt hij de vloer aan met zijn, volgens hem, onbeholpen, ongeschoolde en kwaadaardige tegenstanders. Intussen verheerlijkt hij zijn eigen literaire en andere prestaties mateloos. 

De vertaling "Toverkunsten", mijn eerste gepubliceerde vertaling, beoogt het origineel in al zijn exuberantie en extremen weer te geven, met name ook in de stijl. De vertaling wordt ingeleid door Dr. Rudi van der Paardt (Universiteit Leiden).

De vertaling is helaas niet meer nieuw leverbaar. De gebonden versie is hier en daar nog in gewone boekwinkels voorradig. De paperback is te vinden bij ramsjwinkels.

NIEUW:  Per 4 december 2003 is de volledige tekst van de vertaling voor iedereen beschikbaar op deze website!.Volg de links naar volledige tekst om het bestand (774 kB) te downloaden.



Fragment


(57) U heeft een geschreven getuige≠nis horen voorlezen van een veelvraat en onverbeterlijke slokop, Iunius Crassus. Ik zou bij herhaling in zijn huis nachtelijke rituelen hebben uitgevoerd samen met mijn vriend Appius Quintianus, die daar kamers had gehuurd. Crassus was destijds helemaal in AlexandriŽ, maar heeft dit naar eigen zeggen kunnen opmaken uit fakkelrook en vogelveertjes. Terwijl hij dus in AlexandriŽ flink aan het feesten was (want deze Crassus is zo'n type dat rustig al overdag de kroeg binnenglipt), zag hij midden in die cafťwalm veertjes van thuis voorbijzweven en herkende hij de rook van zijn woning in het verre vaderland... Als dat echt waar was, heeft zijn blik verder gereikt dan Odysseus ooit heeft durven dromen. Odysseus heeft vele jaren lang vergeefs op de kust staan uitkijken en turen naar de rook van zijn eigen land. Crassus heeft die rook in de paar maanden dat hij weg was moeiteloos vanaf een stoel in een kroeg ontwaard! Als hij de walm van thuis heeft geroken, heeft hij een betere neus dan honden en gieren. Want welke hond, welke gier aan de Alexandrijnse hemel kan tot aan de regio Oea ruiken? Die Crassus mag dan een eersteklas vreetzak zijn en thuis zijn in alle soorten rook, maar gezien zijn interesse in drank, het enige waarin hij echt meetelt, heeft hij in AlexandriŽ eerder lucht gekregen van wijn dan van rook.

(58) Hij begreep zelf wel dat dit getuigenis op ongeloof zou stuiten, want hij heeft het verkocht vůůr acht uur `s ochtends, toen hij zijn buik nog niet had kunnen vullen met eten of drank... In ieder geval schreef hij dat hij er als volgt was achtergekomen. Na terugkeer uit AlexandriŽ was hij rechtstreeks naar huis gegaan, waar Quintianus toen al uitgetrokken was. Daar trof hij in de hal veel vogelveertjes aan, en verder waren de muren vuil van het roet. Hij vroeg aan de slaaf die hij in Oea had achtergelaten, hoe dat kwam. Deze zou hem dan op de hoogte gebracht hebben van nachtelijke rituelen van Quintianus en mij.

Wat een ongelofelijk fraaie verklaring, wat een geloofwaardige verdraaiing! Ik wilde wel iets dergelijks doen, maar dan vooral niet in mijn eigen huis! Quintianus, die mijn verdediging steunt, een man die ik hier vanwege zijn bijzonder hechte vriendschap met mij, zijn buitengewone eruditie en begenadigd spreektalent graag een eervolle vermelding wil geven,  die Quintianus had wel vogels om te consumeren, of, naar hun zeggen, om voor magische doeleinden te doden, maar hij beschikte natuurlijk niet over een slaafje om de veertjes bij elkaar te vegen en naar buiten te gooien! En ja, er was zo vreselijk veel rook geweest, dat de muren ervan zwart geworden waren, maar Quintianus had die vuiligheid rustig al de tijd dat hij er woonde in zijn kamer laten zitten! Het slaat nergens op, Aemilianus, het heeft nog niet de schijn van waarheid! Hooguit is Crassus na terugkomst niet naar die slaapkamer getogen, maar gewoontegetrouw direct naar de oven!

Waar heeft die slaaf van Crassus trouwens uit afgeleid dat de muren juist `s nachts door rook zijn bevuild? Uit de kleur van de rook, of zo? Nachtrook is zeker donkerder en daardoor heel anders dan dagrook! Waarom heeft die achterdochtige en zo oppassende slaaf Quintianus dan uit het huis laten trekken voordat hij het schoon had opgeleverd? Waarom hebben die blijkbaar loodzware veertjes zo lang op de komst van Crassus liggen wachten? Nu moet Crassus niet de schuld aan zijn slaaf geven: die leugen van roet en veertjes is van hemzelf. Zelfs bij het afleggen van een getuigenverklaring komt hij niet veel verder dan de keuken.

(59) Waarom is die getuigenverklaring eigenlijk in geschreven vorm aangevoerd? Waar ter wereld hangt Crassus zelf uit? Is hij soms weer terug naar AlexandriŽ uit afkeer tegen zijn huis? Of is hij zijn muren aan het schrobben? Of, iets reŽler, heeft dat drankorgel weer last van een kater? Want gisteren heb ik hem in Sabrata gezien: hij was jou daar, Aemilianus, nogal opvallend midden op de markt in het gezicht aan het boeren! Daarom, Maximus, vraagt u maar eens aan uw audiŽntieslaven, hoewel hij voor kroegbazen een bekender gezicht is dan voor audiŽntieslaven,  maar, ik herhaal, vraagt u ze maar eens of ze Iunius Crassus uit Oea hier gezien hebben. Ze zullen het niet ontkennen. Laat Aemilianus die voortreffelijke jongeman hier brengen op wiens getuigenis hij steunt!

U ziet hoe laat het nu is: ik ben er zeker van dat Crassus alweer enige tijd zijn ochtendroes ligt uit te slapen, ofwel bij een tweede bezoek aan het badhuis voorafgaand aan verder doorzakken zijn dronkemanszweet in een bad uitzweet. Die mijnheer, geachte Maximus, spreekt thans tot u in geschrifte. Niet dat hij niet zůver de schaamte voorbij is om zelfs hier, onder uw ogen, zonder blikken of blozen leugens te verkopen. Maar waarschijnlijk kon hij zich in zijn drankzucht niet zo'n heel klein beetje inhouden om dit uur in nuchtere toestand af te wachten.

Of nog waarschijnlijker: Aemilianus heeft het met opzet gedaan, om hem niet voor uw zo strenge ogen te hoeven brengen. Anders zou u dat monster met zijn gladgeschoren kaken, en zijn afschuwelijke aanblik alleen al om zijn gezicht afkeuren: een mannenhoofd beroofd van baard en haar, vochtige ogen, gezwollen oogleden, een brede grijns, lippen vol spuug, een schorre stem, trillende handen, de kroeglucht die hij uitademt. Zijn hele erfdeel heeft hij al lang verbrast, en van de bezittingen van zijn vader resteert hem alleen nog maar een huis. Dat is zijn verkoopadres voor lasterpraat. Nog nooit heeft hij het meer te gelde gemaakt dan bij dit getuigenis: die dronkemansleugen heeft hij aan Aemilianus verkocht voor 3000 sestertiŽn, zoals iedereen in Oea weet.

(60) Nog voordat het gebeurde waren wij allemaal hiervan op de hoogte. Ik had het kunnen verhinderen door aangifte hiervan te doen, maar ik wist dat een dermate stupide leugen eerder Aemilianus ten nadele zou zijn dan mij: zijn aankoop ervan was tevergeefs, maar mijn minachting ervoor terecht. Ik wilde Aemilianus wel flink veel geld laten verliezen en Crassus publiekelijk te schande laten staan door zijn onterende getuigenis. Overigens is die zaak eergisteren in alle openheid beklonken in het huis van ene meneer Rufinus (over wie later meer), met als tussenpersonen en onderhandelaars Rufinus en Calpurnianus. Rufinus deed dit met alle plezier: hij wist wist dat een niet onaanzienlijk deel van het honorarium van Crassus naar zijn echtgenote zou vloeien. Voor haar overspel doet hij maar al te graag een oogje dicht...

Ik merkte, geachte Maximus, dat ook u in uw wijsheid hoogte kreeg van hun samenkomst en samenzwering tegen mij. Zodra die getuigeverklaring tevoorschijn werd gehaald, stond de afkeuring op uw gezicht te lezen. Het einde van het liedje is, dat ze ondanks hun abnormale lef en onbeschaafde onbeschaamdheid, het getuigenis van Crassus, dat overduidelijk stonk naar alcohol  dat ze dat zelf niet hebben durven voorlezen of gebruiken. Ik heb er wel over gesproken. Niet omdat ik bang ben voor valstrikken van veren of vangnetten van roet, zeker niet bij een rechter als u, maar om het Crassus betaald te zetten dat hij de kansen van een onnozele hals als onze arme Aemilianus, heeft doen opgaan 'in rook'.



Volledige tekst


De volledige tekst van Apuleius' Toverkunsten, vertaald door Vincent Hunink (Amsterdam 1992) is op deze site beschikbaar. Iedereen wordt van harte uitgenodigd om de tekst te downloaden en te lezen. Wilt u fragmenten van de tekst overnemen, dan mag dit, mits u een bronvermelding erbij geeft. Als bronvermelding kan dienen: de in de kopregels van het bestand gegeven info (originele boekuitgave plus deze website). Een berichtje naar mij wordt in zo'n geval van hergebruik erg op prijs gesteld ! Het is voor mij aardig om te horen wat er met deze tekst gebeurt.

Gebruik onderstaande link om het bestand te downloaden.

download Toverkunsten als gratis ebook (epub)



Links


naar andere Apuleiusvertalingen: Pronkpassages & Demonen (incl. volledige tekst) (1994) en Rhetorical works (2001) en De Gouden Ezel (Metamorphoses) (2003)

naar editie Apuleius, Pro se de Magia (Apology) (1997)

naar editie Apuleius, Florida (2001)

naar volledige Latijnse text Apologie (uit mijn editie), online in de Latin Library

Alle Apuleius-bijdragen van Vincent Hunink op deze site


latest changes here: 17-09-2017

 


 

HOME VH / vincenthunink.nl

(c) 2017 V. Hunink

copyright statement  / contact