Oud
worden is geweldig
Cicero's
dialoog De senectute
tekst gepubliceerd in: Hermeneus,
80,2008, 28-33
[>p.28]
Eind
45 voor Christus besloot de grote Romeinse redenaar en auteur Marcus Tullius
Cicero (106-43 v.Chr.) een boekje te schrijven over het thema oud worden. Daarin
slaat hij een uitgesproken optimistische toon aan. De senectute ('Over de
ouderdom'), geschreven tussen januari en begin maart 44, geeft een soort
ideaalbeeld van een volmaakte oude dag.
Die
levensfase blijkt niet vervelend, integendeel, ze is juist heel prettig: je bent
dan eindelijk verlost van allerlei onstuimige, jeugdige verlangens naar genot.
Je geniet respect van je medeburgers, die dankbaar om raad komen vragen. En er
wordt naar je geluisterd vanwege het grote gezag dat je geniet, een gezag dat is
opgebouwd in tientallen jaren van hard en eerlijk werken. Verder is er
natuurlijk alle tijd voor studie of andere eerbare bezigheden, zoals het
onderhouden van een klein landgoed. Kan het mooier?
Binnen
Cicero's oeuvre hoort De senectute tot een reeks filosofische werken,
waarin het klassiek-Grieks denken naar een nieuwe, Romeinse context wordt
vertaald. Het werkje vertoont invloeden van ideeën uit allerlei proza-genres,
waaronder de filosofie. Zo is de dialoogvorm direct ontleend aan Plato.
Cicero
situeert zijn dialoog in het jaar 150 en kan zodoende een hoofdrol geven aan
niemand minder dan de roemruchte oude Cato (234-149), de bekende politicus,
militair, redenaar en schrijver, wiens naam steevast wordt verbonden met een
grote haat jegens Romes aartsvijand Carthago.
Zoals
vaker in Cicero's filosofische werken blijft het dialoogkarakter in De kunst
van het oud worden beperkt. Na een programmatische openingspassage laat
Cicero het woord vrijwel onafgebroken aan de dan 84-jarige Cato. Tegenover twee
veelbelovende, jongere politici, die in de jaren na 150 veel naam zouden maken
(Publius Cornelius Scipio Aemilianus en Gaius Laelius Sapiens) zingt Cato in
alle toonaarden de lof van de oude dag. Vrijwel onvermijdelijk doet hij dat door
alle gangbare bezwaren ertegen te weerleggen.
Eerst
laat hij zien dat ouderdom niet strijdig is met een actief bestaan. Dan komt het
bezwaar aan bod dat de fysieke krachten verminderen: ook dat is volgens hem
helemaal geen probleem. En zefs het geleidelijk verdwijnen van allerlei
lichamelijke genoegens is geen serieus bezwaar. Dat kan juist gelden als een
uitgesproken voordeel: eindelijk geen last meer van zin in dure diners!
Eindelijk bevrijd van die nare drang naar seks!
In
de volgende passage (c.66-76) stelt Cato een laatste hoofdbezwaar van de
ouderdom aan de orde: de nabijheid van de dood.
'Dan
oorzaak nummer vier, die mensen op onze leeftijd wel het meest benauwd en
bezorgd maakt. Ik heb het over het naderen van de dood, die zeker niet ver weg
kan zijn van de ouderdom. Ach, wat is een oude man [>p.29]
zielig als hij in zijn lange
leven niet heeft ingezien dat we de dood moeten laten voor wat hij is! De dood
verdient helemaal geen aandacht, ingeval hij de ziel compleet uitdooft, of hij
is zelfs wenselijk, ingeval hij de ziel ergens naartoe brengt voor een
eeuwigdurend bestaan. Een derde mogelijkheid is in elk geval niet te bedenken.
Dus
wat zou ik bang zijn? Na de dood ben ik niet ongelukkig of ben ik zelfs
gelukzalig! En nog afgezien daarvan, hoe dom kun je denken, ook al ben je dan
jong? Heb je ooit de garantie dat je blijft leven tot de avond? Op jonge
leeftijd is er zelfs veel meer kans op de dood dan op onze leeftijd! Jongeren
lopen gemakkelijker ziekten op, worden ernstiger ziek en genezen moeizamer, en
zo bereiken maar weinigen de ouderdom. Lag die zaak anders, dan zou men
gemiddeld ook beter en verstandiger leven. Want verstand en goed analyseren en
nadenken, dat is typisch voor ouderen. Waren er geen ouderen, dan bestonden er
helemaal geen staten!
Maar
ik kom terug op die dreiging van de dood. Wat is dat nu voor verwijt aan de oude
dag? De dood hoort, jullie zien het, evenzeer bij de jeugd. Ik heb dat
persoonlijk ervaren bij mijn voortreffelijke zoon, en jij, Scipio, bij je broers1
die voor de hoogste ereambten waren voorbestemd: de dood hoort evenzeer bij elke
leeftijdfase.
Ja,
een jongere hoopt dat hij nog lang blijft leven, iets wat een oude man niet kan
hopen. Die hoop is dwaas. Het onzekere beschouwen als zeker, het onjuiste als
waar: dommer kan het niet. Maar een oudere heeft zelfs niets te hopen. Intussen
is hij er beter aan toe dan de jongere, want hij heeft bereikt waar die ander
nog op hoopt: lang leven! Hoewel, goede goden, wat is eigenlijk 'lang' voor de
menselijke natuur? Neem de maximale tijdsduur, [>p.30]
laten we uitkijken naar de
leeftijd van de koning van de Tartessiërs.2 Er was namelijk in Cádiz,
zo vind ik in geschreven bronnen, een zekere Arganthonius, die tachtig jaar
regeerde en honderdtwintig jaar leefde. -- Nee, in mijn ogen is iets waar een
uiterste begrenzing aan zit niet eens 'duurzaam'. Wanneer het ene komt, is het
andere wat voorbij is weggevloeid. Het enige wat blijft is wat je bereikt hebt
dankzij deugd en juiste daden. Uren verglijden, en ook dagen, maanden, jaren.
Tijd die voorbij is komt nooit meer terug en wat er op volgt kun je niet weten.
De tijd die ieder krijgt gegeven om te leven, daar moet hij tevreden mee zijn.
Wil
een acteur in de smaak vallen, dan hoeft hij een toneelstuk niet uit te spelen,
als hij maar bijval krijgt in elk bedrijf waarin hij voorkomt. Ook wijzen hoeven
het laatste 'Applaus!' niet te bereiken. Want een korte levenstijd is lang
genoeg voor een goed en eerzaam leven. Loopt het langer door, dan hoef je daar
natuurlijk niet rouwig om te zijn. Ook boeren zijn er niet rouwig om als de
heerlijke lentetijd is overgegaan in zomer en herfst. Lente staat hier als het
ware voor jeugd en wijst vooruit naar de vruchten van later; de andere perioden
zijn geschikt voor het oogsten en binnenhalen van die vruchten.
En
de vrucht van de oude dag, ik zei het al vaker, is de herinnering en overvloed
aan eerder verworven goeds. Alles wat gebeurt volgens de natuur moet gelden als
goed. En wat is nu meer volgens de natuur dan dat oude mensen afsterven?
Datzelfde kan ook jongeren overkomen, zij het dat de natuur zich dan verzet en
tegenstribbelt. Het sterven van jonge mensen is voor mij dan ook iets als een
vlammenzee die door een massa water wordt bedwongen, terwijl het bij oude mensen
meer is als een vuur dat uit zichzelf zonder enige dwang uitgaat en dooft. Als
vruchten nog onrijp zijn, kun je ze amper van de boom aftrekken, maar zijn ze
rijp en volgroeid, dan vallen ze eraf. Zo ook wordt jonge mensen het leven
ontnomen door geweld, oude mensen door rijpheid.
Die
rijpheid vind ik zelf heel aangenaam. Hoe dichter ik bij de dood kom, des meer
lijkt het of ik, om zo te zeggen, land in zicht krijg en na een lange reis
eindelijk ga binnenlopen in de haven.
[>p.31]
De
ouderdom heeft intussen geen vast eindpunt. Die periode kun je goed leven,
zolang je je taken kunt uitvoeren en vervullen en tegelijk de dood veracht.
Daaruit volgt dat de ouderdom zelfs dapperder en sterker is dan de jeugd! Hier
hebben we die bekende uitspraak van Solon tegenover de tiran Pisistratus. Die
vroeg hem waarop hij toch steunde dat hij zo stoutmoedig verzet bood. 'Op mijn
ouderdom!' zou Solon hebben geantwoord.
Maar
er bestaat wel een optimale grens aan het leven. Die is bereikt als de natuur
het door haarzelf samengestelde werk weer ontbindt, terwijl je geesteskracht nog
intact is en je zintuigen niet wankelen. Zoals een schip, een gebouw, het
gemakkelijkst wordt afgebroken door zijn maker, zo is het ook met de mens. De
natuur die hem tot een samenhangend geheel heeft gemaakt kan hem ook het beste
ontbinden. Is zo'n samenhangend geheel nog recent, dan loopt de afbraak
moeizaam, maar is het al ouder, dan gaat het gemakkelijk.
Vandaar
dat oude mensen dat korte restje leven niet gretig moeten najagen maar ook niet
zonder reden mogen opgeven. Pythagoras verbiedt mensen om zonder bevel van de
commandant, dat wil zeggen de godheid, de basis en wachtpost van het leven te
verlaten. En er is een distichon van de wijze Solon, waarin hij niet wil dat het
bij zijn dood ontbreekt aan verdriet en jammerklachten van vrienden. Wat hij wil
is, denk ik, dat hij zijn eigen mensen dierbaar is. Maar misschien zegt Ennius
het wel beter:
Ik
hoef geen tranenhulde! Op mijn uitvaart geen
gehuil...3
Volgens
hem moet men niet rouwen om een dood waarop onsterfelijkheid volgt.
Misschien
geeft het eigenlijke doodgaan wel een bepaalde zintuiglijke ervaring, maar dan
kortstondig, vooral als je oud bent. Na de dood is die zintuiglijke ervaring in
elk geval iets wenselijks dan wel iets niet-bestaands. Dat besef moeten we al
vanaf de jeugd voor ogen houden, zodat we de dood kunnen laten voor wat hij is.
Zonder dat besef kan niemand kalm van geest zijn. Want doodgaan zal moeten, dat
weten we, wie weet nog diezelfde dag. Hoe kunnen mensen die op ieder uur de
dreiging van de dood vrezen zich geestelijk staande houden?
Daar
hoeven we het volgens mij niet lang over te hebben. Ik denk nu niet eens aan
Lucius Brutus,4 die de dood vond bij zijn [>p.32]
bevrijding van het
vaderland; niet aan de twee Decii, die voor hun vrijwillige dood hun paarden de
sporen gaven; niet aan Marcus Atilius, die zijn executie tegemoet ging om zo
woord te houden tegenover zijn vijand; niet aan de twee Scipionen, die desnoods
met hun lijken de Carthagers de weg wilden versperren; niet aan jouw grootvader
Lucius Paulus, die met zijn dood boette voor het roekeloze optreden van zijn
ambtsgenoot bij de schande van Cannae; en niet aan Marcus Marcellus, na wiens
overlijden zelfs die allerwreedste vijand5 hem de eer van een
begrafenis niet wilde ontzeggen. Nee, ik denk aan die legioenen van ons6
waarover ik schreef in mijn Oorsprongen! Enthousiast en strijdlustig
gingen zij af op een plek waar zij nooit meer vandaan dachten te komen.
Welnu,
iets waar jongelui, en dan nog ongeschoolden, ja, jongens van het platteland,
zich zo weinig om bekommerden, zouden oude, goed geschoolde heren daarvoor bang
zijn? In ieder geval heeft een mens genoeg geleefd, zo denk ik er tenminste
over, wanneer hij alle interesses voldoende heeft gevolgd. Er zijn bepaalde
interesses in de kindertijd; verlangen jongelui daar soms naar? Evenzo in de
vroege jeugd; willen mensen die soms nog op de stabiele leeftijd die men
aanduidt als middelbaar? En er zijn ook interesses die daar weer bij horen;
zelfs die zoekt men op de oude dag niet meer. Ten slotte zijn er de interesses
van de ouderdom; en zoals de interesses van eerdere leeftijdsfasen wegvallen, zo
vallen dus ook die van de ouderdom weg. En als dat gebeurt heeft een mens genoeg
geleefd en wordt de tijd rijp om te sterven.'
De
berusting in de naderende dood en de lof op de ouderdom die Cicero zijn Cato in
de mond legt, zal veel lezers toch doen twijfelen. Is het nu werkelijk zo'n
feest om bejaard te worden? Om niet meer echt actief te zijn, niet meer volop
mee te tellen in de samenleving?
Het
lijkt erop dat de auteur Cicero in 45 vooral zijn frustraties van zich
afschrijft. In de nadagen van zijn leven en politieke carrière voelde hij zich
oud en afgedankt. In de tijd van Caesars absolute macht was zijn rol
uitgespeeld. Heel het hele republikeinse staatsbestel was ingehaald door de
realiteit van de alleenheerschappij, die zich weldra zou ontwikkelen tot het
keizerschap. En dan was ook nog Cicero's dochter Julia plotseling gestorven.
De
grote staatman trok zich terug op zijn buitenhuis in Tusculum en besloot zich
nuttig te maken door filosofische boeken te schrijven. Maar of hij alles wat hij
zo vurig bepleitte ook werkelijk geloofde blijft de vraag. Als de spreker Cato
zijn verrukking uitspreekt over het bedrijven van de land- en tuinbouw op een
klein landgoed in de provincie, laat zich dat moeilijk anders lezen dan als een
staaltje escapistisch zelfbedrog van de auteur. Die wilde immers niets liever
dan weer een actieve rol in de hoofdstedelijke politiek.
En
of de historische Cato eigenlijk wel zo graag teruggetrokken leefde? Ook dat is
twijfelachtig. Het lijkt erop dat Cicero zijn Cato-figuur heeft gestileerd en geïdealiseerd
om zichzelf te troosten en moed in te spreken.
Lang
heeft dat in elk geval niet mogen duren. Kort na de moord op Caesar in maart 44
mengde Cicero zich weer in de politiek en maakte zich in korte tijd volkomen
onmogelijk. Daardoor kwam zijn naam terecht op een proscriptie-lijst (een lijst
van vogelvrij verklaarden). Begin december 43 werd hij bruut vermoord.
NOTEN
1.
Afgezien van Scipio Aemilianus en Quintus Fabius Maximus had Aemilius Paulus
twee andere zoons. Zij overleden op [>p.33]
jonge leeftijd, repectievelijk kort voor en
kort na de triomftocht van hun vader in 168. Cato's eerste zoon, Marcus Porcius
Cato Licinianus, was in 152 gestorven.
2.
Tartessus is een niet precies gelokaliseerde stad in Zuid-Spanje, bij de monding
van de Guadalquivir. De legendarisch oude koning Arganthonius van die stad (ca.
600) wordt al genoemd bij Herodotus (1,163). Cicero houdt die versie aan, zij
het dat hij de naam verbindt met de voor Romeinen bekende stad Cádiz.
3.
Het fragment is een gedeelte uit het grafschrift van Ennius, dat door hemzelf
geschreven zou zijn (Ennius, Varia fr.17 Vahlen). Een volledige vertaling
luidt: Ik hoef geen tranenhulde! Op mijn uitvaart geen / gehuil!
Waarom? Ik leef alom op aller lippen.
4.
Lucius Junius Brutus, legendarische bestrijder van de vroege Romeinse koningen
en stichter van de republiek (509). Hij vormt hier de eerste van een reeks
helden uit de Romeinse geschiedenis.
5.
Bedoeld is Hannibal. Na het beleg van Venusia (208) liet Hannibal de gesneuvelde
Romeinse generaal Marcellus begraven. Volgens sommige bronnen ging het om een
crematie, waarna Hannibal de as naar Rome liet brengen.
6.
Een verwijzing naar boek 4 van Cato's Origines. In een beroemd fragment
huldigt Cato een tribuun met vierhonderd vrijwilligers, die een kansloze missie
ondernam waardoor de rest van een Romeins leger de zege op de Carthagers kon
boeken. De tribuun zelf raakte zwaargewond maar overleefde de actie.
Bibliografische
noot
Deze
bijdrage is gebaseerd op een integrale nieuwe vertaling: Cicero, De kunst van
het oud worden, vertaald door Vincent Hunink, (Athenaeum - Polak & Van
Gennep) Amsterdam 2008. De vertaling is gemaakt van de nieuwe kritische editie
door J.G.F. Powell: M. Tulli Ciceronis De re publica, De legibus, Cato maior
de senectute, Laelius de amicitia, recognovit brevique adnotatione critica
instruxit J.G.F. Powell, Oxford 2006 (Oxford Classical Texts).
|