VincentHunink.nl

Home > ONDERZOEK > VERTALINGEN | EDITIES | PUBL.LIJST | PROJECTEN ||| BRONNEN | INDEX


 

Betoverd door antieke teksten'
 


tekst gepubliceerd in: De Bazuin 83, 2000, 6, 12-5


'Lectori salutem!' luidt het thema van de Boekenweek 2000, die geheel in het teken staat van de klassieken. Alle reden voor enige bezinning. Wat moeten we eigenlijk met die klassieken? Hoe bepalend zijn ze? Kunnen we er niet even goed buiten? Classicus en vertaler Vincent Hunink buigt zich over deze prangende vragen.

Afgelopen winter was op de Nederlandse TV de schitterende Engelse serie 'Walking with Dinosaurs' te zien. Door knap gemaakte computeranimaties van fraaie modellen kregen kijkers voor het eerst een indruk van het leven op aarde, zoals dat tientallen miljoenen jaren geleden was. Logge brontosaurussen, fragiele pterosaurussen en allerlei vreemde schepselen liepen opeens over de TV-schermen. Het was zo levensecht en overtuigend gemaakt dat het leek of de cameraploeg werkelijk in de tijd was teruggereisd.

Maar bij alle herlevende pracht van de oude natuur trof mij meteen een schrijnend gemis: in die vroege voorhistorische wereld was nog geen spoor van de mens. Sterker nog, het zou nog vele miljoenen jaren duren voordat er van enig menselijk leven sprake was. Als je zoiets goed tot je door laat dringen ligt een gevoel van verlatenheid en nietigheid op de loer. De aarde krioelde van het leven, maar het was allemaal betekenisloos en zinloos. En bovendien is er nu helemaal niets van over, behoudens een paar botjes en splinters. De dino's zijn werkelijk totaal uitgestorven.

Iedere soort is aan zijn eigen soort het meest gehecht en dat zal dus ook wel voor de mens gelden. Mijn gemis was daarmee een natuurlijk gevoel, denk ik. Maar voor mij ging het nog iets verder. Als de TV-camera ineens had ingezoomd op de veel latere tijd waarin primitieve mensen voorkomen, was ik er toch niet veel vrolijker van geworden. Wat moeten we met die oer-mensen, met die voedselverzamelaars en plunderaars? Ze waren toch weinig meer dan rechtop lopende roofdieren, verwikkeld in de eeuwige keten van 'eten en gegeten worden', net als andere dieren.

Het gemis is dus dieper. Bij een terugblik in de geschiedenis zoeken we uiteindelijk vooral naar soortgenoten van wie we iets mťťr te weten kunnen komen. We willen op een of andere manier toegang krijgen tot hun gedachten, hun ideeŽn, hun dromen. Hoe keken mensen tegen het leven aan? Geloofden ze in God of goden en in een hiernamaals? Hoe zat hun samenleving in elkaar, en wat was het ideaalmodel ervan? Kenden ze liefde, pijn, en verlangen, en konden ze zulke gevoelens vertolken? Wat voor woorden hadden ze Łberhaupt?

Het wonder van teksten

Wie zulke vragen heeft en antwoorden wil vinden, kan de hele prehistorische tijd gevoeglijk overslaan, en nog een aardig stuk erna ook. De dino-animaties zijn mooi vermaak, maar niets meer. Om de denkende mens uit de geschiedenis te leren kennen zijn we aangewezen op zijn eigen expressies, geschreven teksten.

In onze wereld vol beelden en teksten kennen we een geweldige overvloed aan informatie. De waarde van deze 'voortuigen van betekenis' lijkt soms omgekeerd evenredig aan hun kwantiteit: we plukken wat van het Internet en printen het uit, waarna het na vluchtige lectuur in de oudpapierbak eindigt. Het proces is steeds herhaalbaar, en alles is onbegrensd reproduceerbaar. Zeldzaamheid en kostbaarheid van informatie zijn daarmee vreemde begrippen aan het worden.

Toch zijn teksten geschreven welbeschouwd wonderen. Ze hebben namelijk het vermogen om schrijver en lezer te overleven. Ondanks hun beperkingen en conventies, hun materiŽle en dus vergankelijke aspecten, kunnen teksten de tand des tijds weerstaan en telkens nieuwe generaties bereiken. U die dit leest en ik die dit schrijf zullen vroeg of laat sterven, maar deze tekst van mij, zo onbeduidend als hij is, kan over een eeuw nog iemand inzicht geven in de vraagstukken van het jaar 2000. Wanneer men De Bazuin niet vernietigt maar behoorlijk archiveert, en het Nederlands van 2000 later nog gelezen of geleerd wordt, is de toegang tot mijn gedachten tot in lengte van dagen verzekerd.

Mist en zon

De Westerse cultuur heeft het geweldige geluk dat ze vrij veel teksten bezit uit het eigen verleden. De teksten reiken weliswaar niet terug tot miljoenen jaren geleden, maar een paar duizend jaar zijn het inmiddels toch wel. Het begon allemaal in MesopotamiŽ en Egypte met het spijkerschrift en de hiŽroglyfen, zo rond 3000 voor Chr.

Maar via dat vroegste schrift spreken nog geen individuele stemmen. De teksten dienen voor een hele gemeenschap. Het gaat daarbij vaak om religieuze teksten, zoals vaste formules van gebeden, wetten of eden, of om verbeeldingen van traditionele, mythische verhalen. Of het zijn strikt functionele teksten, zoals inventarislijsten, opsommingen van goederen of belastingen. Ook in de vroegste teksten uit de Griekse wereld van Kreta en Mycene is dat zo. Nooit lezen we erin wat afzonderlijke mensen beweegt. Het gaat er niet om persoonlijke denkbeelden, idealen of dromen. In feite heerst er nog altijd 'het grote zwijgen'.

Op de valreep, als de wijzer van de denkbeeldige 24-uurs tijdklok van de geschiedenis de laatste seconde wegtikt, zien we de Ilias en Odyssee van Homerus. We zijn dan in IoniŽ (het huidige West-Turkije) zo rond 750 voor Chr., vrij kort nadat de Grieken het alfabet hebben overgenomen van de PhoeniciŽrs. Voor het eerst in de Europese cultuur klinkt in Ilias en Odyssee een duidelijk, eigen stemgeluid. De dichte mist van de prehistorie verdwijnt, en de zon breekt door.

Rijkdom

De eeuwen na Homerus hebben een ongekende weelde aan literaire teksten opgeleverd. Al snel blonken de Grieken uit in epos en tragedie, in geschiedschrijving, filosofie en redenaarskunst, in spotverzen en religieuze hymnen. Hun opvolgers in de antieke wereld, de Romeinen, voegden daar het hunne aan toe, zoals satire en briefliteratuur, vakwetenschappelijk proza en rechtskundige geschriften. Daarnaast zetten zij ook de literaire genres voort die de Grieken al tot grote hoogte hadden gevoerd. En hoewel van al die geschriften ontzaglijk veel verloren is gegaan, is er toch ook flink wat bewaard gebleven (de schatting is maximaal een procent of tien van wat er oorspronkelijk geweest is).

De laatste jaren is de publieke belangstelling voor die oudheid duidelijk terug. Antieke tragedies van Sophocles en Euripides worden met succes opgevoerd. Ovidius' Metamorfosen, Plato's dialogen en de Homerische epen halen grote oplagen. Het gymnasium groeit en bloeit, ondanks het studiehuis. Toen ik begin jaren '80 klassieken ging studeren werd ik voor gek versleten, maar tegenwoordig kan ik weer met opgeheven hoofd vertellen wat mijn vak is. Het jongste bewijs dat de klassieken 'salonfšhig' zijn kan niemand ontgaan: in de boekenweek 2000 staan de klassieken voor het eerst centraal, onder het motto 'Lectori salutem'.

Rijkdom heeft natuurlijk zo zijn gevaren. Al te grote weelde kan een lezer naar het hoofd stijgen, want ja, overdaad schaadt. Daarnaast kan grote rijkdom tot kritische vragen leiden, zoals: wat willen we eigenlijk met die schatten? Kunnen we er nog wat mee? Betekenen die rijke, oude literaturen meer voor ons dan een serie dode museumstukken? Of zullen we alles maar aan de armen weggeven en Christus volgen? Kort en goed: zegt die antieke literatuur ons nog wel wat?

Nut en status

Veel mensen zegt het helemaal niets. Die conclusie is snel getrokken als we naar oplagecijfers kijken. Zeker, het gaat goed met de klassieken, maar ook topauteurs zoals Ovidius komen in Nederland niet boven de 30.000 exemplaren uit. De eerste de beste waan-van-de-dag bestseller zit al op het vijf- zesvoudige. Miljoenen Nederlanders lezen nimmer, op enig moment van hun leven, een antiek boek. Aangezien we desondanks doorgaan voor een bij uitstek gelukkig volk, hebben we die oude boeken kennelijk ook niet nodig. Ook voor maatschappelijk succes is bekendheid met de oudheid (lees: een gymnasiale opleiding) al lang geen voorwaarde meer. Gelukkig maar, trouwens.

Er zijn natuurlijk nog steeds mensen die status willen ontlenen aan hun vertrouwdheid met de oudheid. Iets van het classicistische denken dat de Europese cultuur zo lang kenmerkte, bestaat nog altijd. Ik vermoed dat de veelverkochte vertaling van Aristoteles' Ethica, toch geen gemakkelijk boek, op vele salontafels prijkt. Dikke delen Plato en Livius staan, vrees ik, grotendeels ongelezen in eikenhouten kasten. Een beetje snob-appeal is misschien niet eens verkeerd, al oogt het weinig sympathiek.

Klassieken geven ongetwijfeld nog steeds status, maar dat is geen inhoudelijke reden om je om die oudheid druk te maken. Dat geldt ook voor vaak aangevoerde argumenten zoals: 'door Latijn en Grieks krijg je een goed inzicht in moderne talen en wiskunde' - een grotendeels irrelevant argument, al was het maar omdat slechts een kleine groep mensen Grieks en Latijn bestudeert. (En ook al is het argument vermoedelijk waar, hetzelfde geldt voor het leren van Sanskriet of Chinees, en daar hoor je toch niemand over.) De vraag wat die antieke literatuur ons leert heeft automatisch betrekking op vertalingen. Die zijn voor iedereen bereikbaar, meer zelfs dan ooit tevoren, gezien de grote stroom van uitgaven in de afgelopen tien jaar. Wat zoeken de lezers van die boeken?

Betovering

Soort zoekt soort, schreef ik boven al, en dat geldt misschien ook in ruimere zin: een cultuur wil zichzelf kennen. En de klassieke teksten, die zijn ons fundament.

Natuurlijk kan daarbij allereerst gedacht worden aan nuttige feitenkennis: historische data, namen van bekende personen, handige weetjes. Studie van de oudheid geeft meer inzicht in de historische ontwikkeling van onze cultuur. Maar al deze informatie is ook te vinden in naslagwerken of handboeken. Dus opnieuw de vraag: waarom zou een moderne lezer nog grijpen naar de antieke teksten zelf?

Misschien ligt het ultieme antwoord hierop in de sfeer van de poŽzie. Wie antieke teksten leest, kan zich laten betoveren door de poŽzie van het verleden. De Griekse en Romeinse teksten zijn voor de Europese cultuur de eerste, herkenbare, individuele stemmen vanaf het begin van de wereld, het oudst bereikbare menselijke denken. Met de eerste filosofen kunnen we de wereld ontdekken, met de eerste tragici de dilemma's van het menselijk bestaan onderzoeken, door de ogen van geschiedschrijvers zelf naar de oude (en indirect ook de huidige) wereld kijken. Vaak worden we verrast en ontroerd doordat ideeŽn en denkpatronen zo herkenbaar zijn. Antieke teksten maken lezers rechtstreeks vertrouwd met de eigen oorsprong.

Maar ze zijn vaak ook echt anders. Tegenwoordig beseffen we dat je door 'het andere' juist veel kunt leren. Vaak kiest men daarvoor oosterse beschavingen of de cultuur van Indianen, Inka's en aboriginals. Maar ook de Griekse en Romeinse teksten bevatten heel wat vreemd geworden elementen, bijvoorbeeld veel voorchristelijke gedachten (lees bijvoorbeeld eens het beklemmende gebed in Cato's handboek voor de hereboer om de akkers ritueel te reinigen, of de passages over eer en wraak in Homerus en de tragici). Ze zijn, paradoxaal gezegd, 'het andere van het eigene'. Wie daarvan leert, verdiept zijn inzicht binnen de eigen cultuur en verruimt zijn denken.

Eeuwig

De antieke teksten zijn het fundament onder onze beschaving, of we het leuk vinden of niet. En of we die teksten nu waarderen of niet. Er zit veel afschuwelijks tussen, toegegeven. Zo kan ik de gezapige Horatius niet lezen zonder hevige afkeer en kosten ook de zelfgenoegzame Cicero, de patriot Livius en de brave Vergilius mij onevenredig veel geduld. Maar voor Herodotus, Ovidius of Tacitus, voor de Griekse lyrici of Lucretius, voor Apuleius en sommige vroeg-Christelijke teksten, ja, daarvoor ga ik door de knieŽn. En wie kan van Epicurus of de brieven van Seneca zeggen dat daar geen zinnige levenslessen in staan die nog altijd actueel zijn?

Vanwege de boekenweek zal ik het nu maar eens heel expliciet en feestelijk zeggen: wie antieke teksten leest kan behalve historisch inzicht ook ontroering deelachtig worden. Het is de ontroering van het wonder dat de afstand in tijd is overbrugd, dat er contact is gelegd. En dat wonder eindigt niet in het hier en nu. De oude teksten gaan al zo lang mee en hebben al zoveel mensen in de loop der eeuwen bewogen, dat je als lezer voelt, nee, zeker weet dat dit nooit eindigt zolang er mensen zijn.

Als het mensdom ooit, net als de dinosaurussen, uitsterft en de wereld weer leeg en betekenisloos achterblijft, dan nůg blijven de teksten bestaan, zo stel ik me soms voor. Nu ja, bij gebrek aan publiek zullen ook de teksten hun ware leven verliezen: zonder lezer 'bestaat' de tekst in zekere zin niet. Maar minstens tot die tijd geldt dat de klassieke teksten werkelijk onsterfelijk zijn. En de Griekse en Latijnse klassieken zijn ůnze onsterfelijken, de eersten uit onze geschiedenis. Daarom moeten wij ze blijven lezen.


latest changes here: 30-07-2012 16:01


HOME VH / vincenthunink.nl

(c) 2014 V. Hunink

copyright statement  / contact