VincentHunink.nl

Home > ONDERZOEK > VERTALINGEN | EDITIES | PUBL.LIJST | PROJECTEN ||| BRONNEN | INDEX


  

XENOPHON

HIËRO

vertaald en toegelicht door Vincent Hunink


tekst gepubliceerd in: Nexus, 36, 2003, 73-89


(1) De dichter Simonides kwam een keer bij de dictator Hiëro. Zodra ze allebei tijd hadden zei Simonides: ‘Beste Hiëro, mag ik u eens wat vragen? Er is iets waar u vermoedelijk meer van weet dan ik.’

‘En wat mag dat wel zijn?’ vroeg Hiëro. ‘Waar weet ik meer van dan zo’n wijs man als jij?’

‘Ik weet dat u eerst een gewoon burger bent geweest,’ zei de ander, ‘en dat u nu dictator bent. U heeft ervaring met beide en vermoedelijk weet u dus beter dan ik waarin het leven van een dictator verschilt van dat van een gewoon burger. Ik doel hier zowel op de vreugden als de zorgen van de mens.’

‘Maar dan moet jij ook iets doen,’ zei Hiëro. ‘Jij bent nog steeds een gewoon burger. Vertel mij maar eens over dat burgerleven, dan kan ik jou wel aangeven, denk ik, waar de verschillen in liggen.’

‘Daarop zei Simonides het volgende. ‘Ik meen dat ik heb kunnen constateren, beste Hiëro, dat gewone burgers via de ogen prettige en onaangename ervaringen opdoen met wat er allemaal te zien is, en via de oren met geluiden, via de neus met geuren, via de mond met eten en drinken, en met seks via de algemeen bekende weg. Koud en warm, hard en zacht, licht en zwaar lijken wij in heel ons lichaam waar te nemen, met prettige en onprettige ervaringen als gevolg. En wat goed en kwaad betreft, soms lijken wij hiermee enkel in de ziel prettige en onprettige ervaringen te hebben, soms ook in zowel ziel als lichaam. Dat wij ook prettige ervaringen hebben tijdens de slaap lijkt mij duidelijk, maar hoe dat kan en langs welke weg en wanneer, dat begrijp ik eigenlijk helemaal niet. Het is misschien niet vreemd als wij duidelijkere ervaringen hebben wanneer we wakker zijn dan tijdens de slaap.’

‘Ik zou niet weten wat een dictator nog meer kan ervaren,’ gaf Hiëro ten antwoord, ‘naast alles wat jij nu hebt opgesomd. Tot hier toe zie ik niet waarin het leven van een dictator verschilt van het burgerleven.’

‘Dat verschil zit hierin: een dictator heeft op al die manieren een veel groter aantal plezierige ervaringen en veel minder onplezierige.’

‘Nee, Simonides, zo zit het niet. Je moet weten dat dictators veel minder plezier beleven dan gewone, modale burgers en veel meer en sterkere onplezierige ervaringen hebben.’

‘Wat u zegt klinkt niet aannemelijk. Want als dat zo is, waarom leeft de wens om dictator te worden dan bij zovelen, ja bij de mensen die het meest vermogend lijken? Hoe kan het dat iedereen dictators benijdt?’

‘Dat komt natuurlijk omdat men geen ervaring heeft met beide posities,’ zei Hiëro, ‘maar wel hierover zijn gedachten laat gaan. Ik zal proberen jou aan te tonen dat ik de waarheid spreek, te beginnen met het zien. Want daar begon jij mee, als ik het wel heb.

‘Allereerst dus waarnemingen door het zicht. Wanneer ik alles overdenk, zijn dictators op dit punt slechter af. Elke streek heeft zo zijn eigen bezienswaardigheden en gewone burgers kunnen overal naartoe: ze gaan naar de steden die ze willen en naar nationale manifestaties,[i] waar alles bij elkaar komt wat mensen het meest de moeite waard vinden om te zien. Maar dictators houden zich verre van shows. Het is voor hen namelijk niet veilig een plek te bezoeken waar ze niet automatisch sterker zijn dan de aanwezigen, en daarbij is hun situatie thuis niet dermate zeker dat ze alles aan anderen kunnen overlaten en op reis kunnen gaan. Want het valt te vrezen dat ze hun macht kwijtraken en bovendien niet meer in staat zijn de boosdoeners te straffen.

‘Nu zul jij zeggen: "Maar dat soort spektakel komt toch naar hen toe? Ze blijven gewoon thuis!" Nou, Simonides, dat geldt maar in een doodenkel geval, en dan nog moet een dictator er enorm veel voor betalen. Wie ook maar een klein kunstje kent, verwacht van de dictator in kort bestek een veelvoud te ontvangen van wat hij in zijn hele leven van alle mensen samen krijgt!’

‘Goed, misschien bent u slechter af als het gaat om mooie dingen zien,’ zei Simonides, ‘maar wat het gehoor betreft bent u toch echt beter af. Want in wat het fijnste is om te horen, lofprijzingen, komen jullie nooit tekort. Iedereen om u heen zal alles van u prijzen, wat u ook zegt of doet. En wat het naarste is om te horen, scheldwoorden, daarvan blijven uw oren vrij. Niemand spreekt kwaad van een dictator in diens bijzijn.’

‘En wat voor plezier geeft zo’n gebrek aan kwaadsprekers,’ zei Hiëro, ‘wanneer je maar al te goed weet dat zulke zwijgers allerlei kwaads van de dictator denken? Wat voor plezier heb je van mensen die je prijzen, wanneer je mag aannemen dat hun lof enkel voortkomt uit vleierij?’

‘Hier geef ik u volkomen gelijk, beste Hiëro. Lofprijzingen van geheel vrijen zijn het prettigst. Maar kijk, u zult geen mens ervan kunnen overtuigen, dat jullie niet veel meer plezier beleven aan alles waar een mens van leeft.’

‘Ja, Simonides, ik weet wel waarom dat de meesten ervan uitgaan dat wij lekkerder eten en drinken dan gewone burgers. Zij denken namelijk dat zij zelf lekkerder zouden eten aan onze tafel dan thuis. Het genot schuilt dan in alles wat boven het normale uitgaat. Daarom kijken alle mensen uit naar feesten behalve dictators. Hun dis is altijd al rijkelijk voorzien en daar komt op feesten niets extra’s bij. Zo komt het dat zij alleen al op dit punt slechter af zijn dan gewone burgers: voor hen geen voorpret! Verder is er nog iets wat ik goed besef en wat ook jij uit ervaring wel weet: hoe meer men iemand aan overtolligs voorzet, des te eerder treedt het gevoel van verzadiging op. Het gaat hier dus ook om de tijdsduur van het genot. Ook daarin is degene die veel krijgt voorgezet slechter af dan de modale genieter.’

‘Jawel, natuurlijk, maar zolang die eetlust aanhoudt beleven mensen die exclusief dineren meer genot dan mensen die simpelere dingen krijgen voorgezet.’

‘Maar Simonides, denk je niet dat iemand die ergens het hoogste genoegen beleeft daar ook het meest aan gehecht is?’

‘Zeker wel.’

‘Gaan dictators dan met zichtbaar meer genoegen aan tafel dan gewone burgers?’

‘Nee, nee, helemaal niet, juist met meer tegenzin, zouden de meeste mensen zeggen.’

‘En heb je wel eens bedacht wat voor smaakversterkers er allemaal bij dictators op tafel komen: pikant, zuur, prikkelend, enzovoorts?’

‘Ja zeker,’ zei Simonides, ‘en dat lijkt mij allemaal heel onnatuurlijk voor mensen.’

‘Wat vind je dan van dat soort ingrediënten? Dat zijn toch niet meer dan opwekkers van een zwakke, door luxe verslapte eetlust? Want jij weet net zo goed als ik dat wie met genoegen eet niets van al die toevoegingen nodig heeft.’

‘Tja, ook die kostbare parfums die jullie gebruiken, daar hebben de mensen om jullie heen, geloof ik, meer dan jullie zelf.’

‘Zoiets gebeurt ook met eten,’ zei Hiëro. ‘Wie altijd alles klaar heeft staan, tast nooit eens toe met trek. Maar als je iets niet vaak krijgt, doe je je er met veel plezier aan te goed wanneer het op je bordje komt.’

‘Misschien is het dan zo dat alleen erotische genoegens het verlangen in jullie oproepen om dictator te worden. Want op dit vlak staat het jullie vrij om contacten te hebben met de allermooisten.’

‘Daar noem je iets!’ zei Hiëro. ‘Besef goed, juist op dit punt zijn wij slechter af dan gewone burgers! Laat ik beginnen met het huwelijk. Een verbinding met een rijkere, machtigere familie wordt beschouwd als het beste en de bruidegom ontleent er status en genot aan. Het op een na beste is een huwelijk tussen mensen van gelijke stand, terwijl een verbinding met lagerstaanden geldt als onterend en nutteloos. Maar wat kan een dictator doen, voor zover hij geen buitenlandse vrouw trouwt? Zijn huwelijk is onvermijdelijk met iemand van lagere stand, en hij krijgt dus absoluut niet wat hij zo graag wil. Vertroeteld worden door vrouwen die zich het meest laten voorstaan op hun afkomst geeft hem het allergrootste plezier, maar zo is het niet met slavinnen. Als die hetzelfde doen, is het niet speciaal aangenaam, en laten ze ergens een steekje vallen, dan wekt dat verschrikkelijke woede en ergernis op.

‘En dan de liefde voor leuke jongens! Hier is de dictator als het over genot gaat nog veel slechter af dan bij de liefde die tot nageslacht leidt. Seks waarin passie domineert geeft beduidend meer genot, dat weet natuurlijk iedereen. Maar passie, daarvan voelt een dictator doorgaans maar heel weinig. Passie gaat bij voorkeur niet uit naar wat normaal beschikbaar is, maar juist naar objecten van hoop en verwachting. Zoals iemand die niet weet wat dorst is geen werkelijk genoegen kan beleven aan drinken, zo kan de man die geen weet heeft van passie ook geen weet hebben van de heerlijkste seks.’

‘Dat was wat Hiëro zei, en Simonides schoot in de lach. ‘Wat bedoelt u, beste Hiëro?’ vroeg hij. ‘Een dictator vat geen passie op voor mooie jongens? Hoe zit het dan met uw liefde voor Daïlochus, die "de knapste" heet?’

‘Tja, Simonides,’ zei de ander, ‘waar ik vooral naar verlang, is niet zomaar bij hem te halen maar krijgt een dictator het moeilijkst voor elkaar. Wat ik graag van Daïlochus wil, is wat een mens misschien van nature aan mooie jongens vraagt. Maar het hier bedoelde wil ik graag uit genegenheid krijgen en uit vrije wil, daar verlang ik sterk naar. Het met geweld van hem nemen? Dat zou ik, geloof ik, nog minder willen dan mijzelf kwaad doen. Van vijanden iets tegen hun zin nemen, dat vind ik beslist iets allerheerlijks, maar de charmes van een mooie jongen zijn alleen zo heerlijk als ze vrijwillig worden geschonken. De genegenheid moet wederzijds zijn! Dan is het meteen heerlijk hoe hij je blik beantwoordt, dan zijn zijn vragen en reacties heerlijk, dan is het heerlijk en verrukkelijk hoe hij tegenstribbelt en je uitdaagt!

‘Aan je gerief komen met mooie jongens die niet willen lijkt mij meer een vorm van roof dan van liefde. En een rover beleeft nog een zeker plezier aan zijn winst en het kwellen van zijn vijand. Maar genoegen beleven aan een kwelling van wie jij begeert? Je liefde beantwoord te zien met haat? Seksueel contact met iemand die dat vreselijk vindt? Dat is toch een hoogst onaangename ervaring, dat is toch zielig?

‘Voor een gewoon burger is het meteen een duidelijk signaal wanneer zijn jongen hem ter wille is: dat is een dienst uit genegenheid. Hij weet dat de jongen op geen enkele manier verplicht is tot die dienst. Maar een dictator? Die kan er nooit zeker van zijn of men van hem houdt. We weten toch allemaal dat mensen die dienen uit angst zoveel mogelijk de indruk wekken dat zij uit genegenheid hun dienst verlenen? Vandaar ook dat aanslagen op dictators vooral worden gepleegd door mensen die doen alsof zij het meest op hen gesteld zijn.’

(2) Daarop reageerde Simonides als volgt. ‘Toch lijkt het mij allemaal betrekkelijk onbelangrijk wat u daar opnoemt. Want ik constateer dat veel flinke kerels vrijwillig slechter af zijn als het gaat om eten en drinken en mooie dingen, en zich vrijwillig onthouden van seks. Nee, jullie verschillen van gewone burgers in andere dingen. Dictators denken groot, krijgen snel wat ze willen en leven in grote luxe. Ze bezitten eersteklas paarden, de fraaiste wapens, de schitterendste juwelen voor hun vrouwen. Ze bewonen de prachtigste paleizen, voorzien van het kostbaarste interieur, en hebben het meest uitgebreide en deskundige personeel. En zo zijn ze het beste toegerust om hun vijanden te schaden en hun vrienden te belonen.’

‘Maar Simonides!’ zei Hiëro weer. ‘Dat de grote massa zich illusies maakt over de positie van een dictator, verbaast mij niets. Het volk kijkt alleen naar de buitenkant en beoordeelt dan of mensen gelukkig dan wel ongelukkig zijn. Een dictatuur spreidt altijd schijnbaar kostbare bezittingen voor ieders blikken ten toon, terwijl de bezwaarlijke aspecten verborgen blijven in het hart van de dictator. En daar is dat geluk of ongeluk voor mensen toch in gelegen. Goed, dat de grote massa dit allemaal niet ziet verbaast me niet, ik zei het al. Maar dat ook mensen als jij het niet begrijpen! Jullie bezien de meeste dingen toch meer met het verstand dan met de ogen? Het is werkelijk verbazend!

‘Ik weet uit ervaring maar al te goed, Simonides, en ik zeg jou nu dat dictators het minste deelhebben aan de mooie dingen in het leven en de meeste narigheden beleven. Want neem bijvoorbeeld vrede: dat lijkt voor de mensen een groot goed, maar dictators delen er maar amper in. En oorlog is natuurlijk een groot kwaad, waarvan het grootste deel voor de dictator is. Want om te beginnen, als de stad niet in een totale oorlog is verwikkeld, kunnen gewone burgers gaan en staan waar ze willen, zonder enige angst voor moordenaars, terwijl een dictator zich altijd en overal op vijandelijk terrein begeeft. Hij acht het noodzakelijk om zelf continu gewapend te zijn en altijd lijfwachten om zich heen te hebben.

‘En -- tweede punt -- áls gewone burgers op campagne naar vijandelijk gebied moeten, geloven ze toch dat ze minstens na thuiskomst weer veilig zijn. Maar komt een dictator terug in zijn eigen stad, dan weet hij zeker: daar is hij tussen de meeste vijanden. En als er al eens sterkere vreemden optrekken tegen de stad, achten zwakke burgers zich buiten de muren wel in gevaar, maar eenmaal terug binnen de versterking voelt iedereen zich veilig. Maar de dictator is zelfs als hij voet in eigen paleis zet niet buiten gevaar, nee, denkt hij, uitgerekend daar moet hij oppassen!

‘Voorts houdt een oorlog voor gewone burgers ook weer op door een verdrag of door vrede, terwijl de dictator nooit vrede kent tegenover zijn onderdanen. Op een verdrag mag hij niet vertrouwen, zodat hij nooit gerust kan zijn.

‘Er zijn natuurlijk oorlogen van steden onderling en van dictators tegen de onderdrukten. De last die een stedeling van die oorlogen heeft treft een dictator ook. Beiden moeten in wapenrusting wacht houden en gevaar lopen, en als ze verliezen en iets ellendigs ondergaan, stemt het beiden bedroefd.

‘Tot hiertoe zijn oorlogen voor iedereen gelijk. Maar dictators hebben niet wat stedelingen ervaren als de aangename kanten van oorlog. Wanneer steden hun tegenstanders in de strijd overmeesteren, dan is de vreugde amper te beschrijven. Het is de vreugde van het verjagen van de vijand, van het achtervolgen en doden van de vijand. Wat een gevoel van triomf tijdens die acties! Wat een stralende roem valt hun ten deel! Wat een zalige gedachte dat men de macht van de stad heeft vergroot! Iedereen doet het voorkomen dat hij "heeft meegedaan aan het plan" en "de meeste vijanden heeft gedood", en vrijwel altijd wordt er domweg gelogen en claimt men een groter aantal doden dan er in werkelijkheid is gevallen. Zoiets geweldigs vinden de mensen een grote zege.

‘Maar dan de dictator! Wanneer hij verdenkingen koestert en ook werkelijk tegenwerking bespeurt, laat hij een paar mensen doden. Maar hij weet dat hij daarmee niet de macht van de stad als geheel vergroot. Hij begrijpt dat hij vanaf dat moment over minder mensen de baas is, en hij kan er niet warm van worden of trots zijn op zijn prestatie. Nee, hij zal de gebeurtenissen waar mogelijk zelfs bagatelliseren en al tijdens zijn optreden het excuus aanvoeren dat hij "niets onrechtmatigs heeft gedaan". Zo weinig waardering heeft hij ook zelf voor zijn daden. En als mensen sterven voor wie hij bang was, vat hij evenmin moed maar past hij nog beter op dan tevoren. De dictator leeft dus continu in oorlog, dat moge duidelijk zijn.

(3) Vriendschap dan. Bekijk eens op welke manier dictators daar deel aan hebben. Laten we eerst eens overwegen of vriendschap voor de mens een groot goed is. Welnu, als mensen van je houden, zien ze je graag in hun buurt en doen ze je graag goed; ze missen je als je weggaat en ontvangen je dolgraag bij je terugkeer; ze delen in je vreugde wanneer het je goed gaat en bieden gezamenlijk steun als ze zien dat je een uitglijder dreigt te maken. Ook steden ontgaat het niet dat vriendschap voor mensen een zeer groot goed en iets heerlijks is. In veel steden geldt althans een wet die een uitzondering maakt voor echtbrekers: die mag men straffeloos doodslaan. De reden daarvan is natuurlijk dat men vindt dat zij de vriendschap van vrouwen voor hun mannen kapotmaken. Want stel dat een vrouw seks heeft door ongelukkige omstandigheden, dan blijft zij bij haar man desondanks in ere, als haar vriendschap tenminste onverminderd lijkt.

‘Een groot goed is het dus naar mijn mening wanneer men van je houdt. Ja, als men van je houdt, komt alle goeds van goden en mensen spontaan op je weg.

‘Maar als dit bezit van dien aard is, heeft een dictator het hier het slechtst van iedereen. Wil je weten of ik de waarheid spreek, Simonides, bekijk het dan eens als volgt. De sterkste vriendschappen zijn, dunkt me, die van ouders voor hun kinderen, van kinderen voor hun ouders, van broers en zussen voor broers en zussen, van vrouwen voor hun mannen en van vrienden voor vrienden. En als je nu even goed kijkt, zie je dat deze mensen vooral houden van gewone burgers, anders dan dictators. Velen van hen hebben hun kinderen vermoord of worden door hun kinderen vermoord. Veel broers die samen dictator zijn sneuvelen door onderlinge strijd, en vaak wordt een dictator zelfs om het leven gebracht door zijn eigen vrouw of door kameraden die hij voor zijn beste vrienden hield. Maar mensen die van nature het meest van je houden en dat uit gewoonte ook zouden moeten, als die je al zo haten, wat dan te denken van anderen? Hoe zouden die van je kunnen houden?

(4) Een volgend punt is vertrouwen, een groot goed. Als je daar maar weinig van hebt, mis je toch veel? Is een relatie prettig zonder wederzijds vertrouwen? Geven contacten tussen man en vrouw genot als het vertrouwen ontbreekt? Kan een dienaar aangenaam zijn als hij niet te vertrouwen is? Dus ook in vertrouwensrelaties met anderen deelt een dictator het minst. Ja, zelfs zijn eten en drinken zal hij voortdurend wantrouwen, en voor het plengoffer aan de goden moeten dienaren alles voorproeven. Hij vertrouwt het namelijk niet: hij zou eens iets verkeerds binnen kunnen krijgen!

‘En nog iets. Voor alle andere mensen is het vaderland het meeste waard. Burgers beschermen elkaar tegen slaven, zonder dat ze daar geld voor krijgen, ze beschermen elkaar tegen boosdoeners om te zorgen dat geen burger een gewelddadige dood sterft. Ze gaan zo ver in hun voorzorg dat velen bij wet hebben vastgelegd dat iedereen die contact heeft met een man die een bloedschuld op zich heeft geladen, als onrein geldt. En zo leeft elke burger binnen het kader van zijn land in veiligheid.

‘Maar voor een dictator ligt de zaak ook hier precies omgekeerd. Want in plaats van dat de stad hem wreekt, houdt ze de man die hem doodt hogelijk in ere. In plaats van dat zo iemand uit heiligdommen wordt geweerd, zoals moordenaars van gewone burgers, laten steden in heiligdommen zelfs standbeelden oprichten van mannen die dat soort dingen hebben gedaan.

‘Als jij denkt dat een dictator met meer bezittingen dan gewone burgers daar ook meer plezier van heeft, nu, Simonides, ook dát is niet zo. Maar de dictator vergaat het als sportlui, die niet blij zijn wanneer ze winnen van gewone mensen, maar zich ergeren wanneer ze verliezen van hun concurrenten. Hij is niet blij wanneer hij meer blijkt te bezitten dan gewone burgers, maar bedroefd wanneer hij minder heeft dan andere dictators. Want die ziet hij als zijn concurrenten in rijkdom.

‘En een dictator krijgt ook niet sneller wat hij wil dan een gewoon burger. De burger verlangt naar een huis, een stukje land, een dienaar, maar de dictator wil hele steden, uitgestrekte gebieden, havens of sterke burchten, en dat is veel moeilijker te krijgen dan wat burgers verlangen en levert meer gevaar op. Ja, je zult niet zoveel armoe zien onder burgers als onder dictators! Want "veel" en "weinig" wordt niet bepaald door absolute getallen maar door behoeften. Meer dan voldoende is dus veel en onvoldoende weinig.

‘Zo kan een dictator met een veelvoud aan middelen (vergeleken met de gewone burger) toch onvoldoende hebben om zijn uitgaven te bekostigen. Gewone burgers kunnen naar believen bezuinigen op hun dagelijkse uitgaven, maar dictators staat dit niet vrij. Hun grootste en meest noodzakelijke uitgaven hebben namelijk betrekking op hun persoonlijke bewaking. En daarop bezuinigen is levensgevaarlijk.

‘Wie op een rechtmatige manier alles kan hebben wat hij nodig heeft, is niet arm. Hoe zou men medelijden met hem kunnen hebben? Maar wie zich uit gebrek genoodzaakt ziet slechte en onterende dingen uit te halen om te overleven, die zou je toch met recht ongelukkig en arm mogen noemen? Welnu, een dictator ziet zich vaak gedwongen tot illegale beroving van heiligdommen en individuen doordat hij voor zijn noodzakelijke uitgaven steeds weer geld tekort komt. Voor hem is het zogezegd chronisch oorlog: hij is gedwongen een leger op de been te houden, anders gaat hij eraan.

(5) Ik zal je nog iets vertellen, Simonides, een andere vervelende ervaring van dictators. Zij hebben niet minder oog dan gewone burgers voor mensen die dapper, verstandig of rechtvaardig zijn. Maar in plaats van bewondering voelen zij vrees voor hen. Voor de dapperen omdat die misschien iets ondernemen terwille van de vrijheid, voor de verstandigen omdat die misschien een plan bedenken en voor de rechtvaardigen omdat het volk hen misschien als leiders wil. Maar als zij vanwege hun angst dat soort mensen uit de weg ruimen, wie houden ze dan over? Criminelen, lapzwansen en makke schapen! Criminelen krijgen dan hun vertrouwen, omdat zij evenals de dictators zelf vrezen dat de stad ooit haar vrijheid verovert en hen overmeestert; lapzwansen omdat zij zich voor het moment kunnen uitleven, en makke schapen omdat die zelf niet eens vrij willen zijn. Het lijkt mij een heel vervelende ervaring: wel beseffen dat er goede mensen bestaan, maar gedwongen zijn je te bedienen van anderen.

‘Verder moet een dictator ook van zijn stad houden. Zonder die stad zou hij zich niet kunnen redden en geen geluk kennen. Maar zijn dictatuur dwingt hem tot scherpe kritiek op zijn vaderstad. Hij rust namelijk niet graag eigen burgers uit tot een sterke, goed gewapende troep, maar gebruikt liever vreemdelingen, die hij gevaarlijker maakt dan eigen burgers en als lijfwacht inzet.

‘En zelfs als er door goede seizoenen een overvloed aan goederen komt, kan de dictator niet even blij zijn als alle anderen. Want hoe behoeftiger ze zijn, denkt hij, des te gedweeër zijn ze tegenover hem.

(6) Ik wil jou ook nog wijzen, Simonides, op alle aangenaams wat ik beleefde als gewoon burger maar ben kwijt geraakt, merk ik, sinds ik dictator ben. Zo ging ik om met leeftijdgenoten, tot wederzijds plezier, en had ik ook tijd voor mezelf als ik behoefte had aan rust. Ik nam deel aan gezamenlijke drinkpartijen, waar ik vaak alle problemen van het menselijk bestaan vergat en opging in liederen, feestvreugde en dansen, tot het punt dat ik met heel de rest alleen nog naar slaap verlangde.

‘Maar zulk plezierig gezelschap ben ik nu kwijt. Want wie heb ik nu als kameraden? Slaven! Plezierige contacten met anderen ben ik kwijt, want ik zie dat men mij absoluut niet welgezind is. Dronkenschap en slaap, daar pas ik evenzeer voor op als voor een hinderlaag. Angst voor de massa, angst voor eenzaamheid, angst voor gebrek aan bewaking en angst voor bewakers, niet graag omringd zijn door mensen zonder wapens maar ook niet graag zien dat ze gewapend zijn - dat is toch een verschrikkelijk lot? Meer vertrouwen op vreemdelingen dan op eigen burgers, meer op buitenlanders dan op Grieken, vrijen als slaven willen houden en gedwongen zijn om slaven tot vrijen te maken... Wat denk je?  Dat wijst toch allemaal op een ziel die totaal geobsedeerd is? Angst is niet alleen hinderlijk door zijn aanwezigheid in de ziel, maar zit ons ook op de hielen en bederft op die manier alle plezier.

‘Misschien heb ook jij ervaring met oorlog, Simonides, en stond je al eens opgesteld vlakbij vijandelijke linies. Denk eens terug aan het soort voedsel dat je in die tijd moest eten, aan het soort slaap dat je kreeg. Zo vervelend als dat toen voor jou was, zo vergaat het een dictator nu, en nog wel erger. Want een dictator meent de vijand niet alleen tegenover zich te zien, maar overal om zich heen.’

‘Toen Simonides dit alles had gehoord, nam hij het woord. ‘Daar zegt u een paar heel goede dingen!’ zei hij. ‘Oorlog is inderdaad iets vreselijks. Maar toch, beste Hiëro, als wij op expeditie zijn, zetten we wachtposten uit en gaan we op ons gemak eten of slapen.’

‘Ja inderdaad, Simonides,’ zei Hiëro. ‘Want die wachters worden weer bewaakt door de wetten en ze zijn dus bang voor hun eigen hachje terwijl ze jullie angst wegnemen. Maar dictators huren wachters in als waren het seizoensarbeiders. Wachters moeten vooral één eigenschap hebben: betrouwbaarheid. Maar één trouw man is moeilijker te vinden dan honderd werkkrachten voor wat dan ook. Dit geldt vooral wanneer wachters het doen voor het geld en zij in korte tijd veel meer geld kunnen krijgen door de dictator te doden dan dat zij van hem zouden ontvangen voor lange jaren dienst.

‘Nu iets over de reden waarom je ons benijdde, ons vermogen om voor vrienden veel goed te doen en vijanden meer dan wie ook te verpletteren. Ook hier liggen de zaken niet zoals jij denkt. Hoe kun je ooit het gevoel krijgen vrienden goed te doen, wanneer je precies weet dat wie het meeste van je krijgt het liefst zo snel mogelijk uit je blikveld verdwijnt? Iedereen beschouwt wat hij van een dictator krijgt pas als zijn eigendom als hij buiten diens macht is gekomen. En hoe kun je zeggen dat vooral een dictator de macht heeft om vijanden te verpletteren, wanneer hij wel weet dat alle onderdanen zijn vijanden zijn? Die kan hij toch moeilijk allemaal ter dood brengen of in de boeien slaan. Want over wie heeft hij dan nog macht? Nee, in het volle besef dat zij zijn vijanden zijn, moet hij voor hen oppassen en is hij tegelijk gedwongen zich van hen te bedienen.

‘Besef ook het volgende goed, Simonides. Als hij bepaalde burgers vreest, heeft hij er moeite mee hen in leven te zien, maar ook om hen te doden. Het is alsof je een paard bezit dat weliswaar goed is, maar waarvan je ook bang bent dat het een keer iets fataals doet. Dan heb je er moeite mee om het te doden, vanwege zijn kwaliteiten, maar ook om het te laten leven en te berijden, uit angst dat het op een gevaarlijk moment iets fataals doet. Hetzelfde geldt voor ook voor andere bezittingen met grote voor- en nadelen: het is lastig ze te bezitten en lastig om ze kwijt te raken.’

(7) Hierop zei Simonides: ‘Het lijkt, beste Hiëro, of veel in het leven draait om "eer". In hun streven daarnaar getroosten mensen zich alle inspanningen en verduren zij alle gevaren. Dat geldt kennelijk ook voor dictators. Terwijl het dictator zijn al die problemen inhoudt die u noemt, vliegen mensen zoals u daar in alle haast op af om eerbewijzen te krijgen. Ze willen dat iedereen al hun orders zonder mitsen en maren uitvoert, dat iedereen naar hen opziet, uit zijn stoel opstaat en de weg vrijmaakt, dat allen in hun buurt hun altijd in woord en daad luister bijzetten. Zo gedragen onderdanen zich immers tegenover een dictator en wie ze verder ook maar in ere houden.

‘Ja, Hiëro, juist hierin verschilt de mens volgens mij van andere wezens: in zijn streven naar eer. Eten, drinken, slaap en seks vormen voor alle wezens evenzeer bronnen van genoegen, lijkt het, maar eerzucht komt niet op in redeloze dieren en evenmin in alle mensen. Mensen bij wie het verlangen naar eer en lofprijzing opkomt verschillen het meest van kuddedieren. Dat zijn niet zomaar mensen, vinden we, maar echte mannen! Het lijkt dus niet voor niets dat jullie al die lasten van het dictator zijn verdragen, want jullie worden boven alle andere mensen geëerd. Geen enkel menselijk genoegen komt misschien zo dicht bij het goddelijke als vreugde over ereblijken.’

‘Ach Simonides,’ zei Hiëro daarop, ‘die ereblijken voor een dictator... Die liggen volgens mij op hetzelfde vlak als die liefdesrelaties waar ik je al over vertelde. Als iemand je ter wille is zonder je genegenheid te beantwoorden, is er niets aan, zagen we, terwijl afgedwongen seks niet fijn is. Precies zo zit het met onderdanig gedrag van mensen die bang voor je zijn: dat is geen eer. Hoe kunnen we zeggen dat mensen die gedwongen uit hun stoel opstaan dit doen ter ere van hun onderdrukkers? Of dat als ze voor machtigen de weg vrijmaken, dit is ter ere van hun onderdrukkers? En cadeaus geven de meesten aan mensen die ze haten. Zo willen ze voorkomen dat ze iets kwaads van hen lijden. Maar hier kunnen we redelijkerwijs spreken van "slaafse" handelingen, terwijl ereblijken volgens mij voortkomen uit een houding die daar haaks op staat.

‘Wanneer mensen iemand als hun potentiële weldoener beschouwen en iets goeds aan hem toeschrijven, en vervolgens zijn naam op de lippen hebben en roemen, wanneer ieder in hem zijn persoonlijke bron van goeds ziet, vrijwillig voor hem de weg vrijmaakt en met liefde, niet uit angst voor hem, uit zijn stoel opstaat, hem een krans verleent vanwege zijn verdiensten voor het algemeen welzijn en zijn weldaden, en hem geschenken wil geven, ja, pas dán vind ik het "eer bewijzen" in de ware zin des woords. Pas wanneer men je zulke dingen waard acht, word je werkelijk geëerd.

‘Persoonlijk wil ik de man die zo geëerd wordt gelukkig prijzen. Ik zie dat hij niet belaagd wordt, maar dat men zich zorgen maakt dat hem iets overkomt. Zonder angst, zonder afgunst, zonder gevaren leeft hij een gelukkig leven. Maar de dictator? Ach Simonides, hij is als iemand die door alle mensen is gedoemd te sterven vanwege zijn slechtheid. Besef goed: zo moet hij leven, dag en nacht.’

‘Simonides had het allemaal aanhoord. ‘Maar hoe kan dat nu, beste Hiëro?’ vroeg hij. ‘Als dictator zijn zoiets kwalijks is en als u er zo over denkt, waarom bevrijdt u zich dan niet van zo’n groot kwaad? Waarom ziet niemand ooit vrijwillig af van de positie van dictator, zodra hij die eenmaal heeft bereikt?’

‘Dat komt, Simonides, doordat dictator zijn ook in dit opzicht iets heel ongelukkigs is: men komt er niet meer vanaf. Want hoe zou een dictator ooit al het geld kunnen terugbetalen dat hij mensen heeft ontnomen? Hoe zou hij zelf ter compensatie de straffen kunnen ondergaan die hij anderen heeft opgelegd? En dan de mensen die hij ter dood heeft gebracht: hoe zou hij daar ooit voldoende levens van zichzelf tegenover kunnen zetten? Ach, Simonides, als iemand er wat aan heeft zich te verhangen, dan is het wel een dictator. Juist hij heeft er wat aan, luidt mijn conclusie, want alleen hij heeft er niets aan om zijn narigheid te behouden, noch om er afstand van te doen.’

(8) Simonides nam het woord. ‘Beste Hiëro,’ zei hij, ‘dat u voor het moment maar weinig ziet in de positie van dictator, verbaast mij niets. U wilt graag dat de mensen om u geven en u meent dat het dictator zijn daarbij een obstakel is. Maar nu denk ik u te kunnen laten zien dat heersen geen enkel obstakel is voor genegenheid, en dat de heerser op dit punt zelfs beter af is dan de gewone burger. Als we onderzoeken of dit zo is, kunnen we beter even voorbijgaan aan de vraag of een heerser door zijn grotere macht ook meer gunsten kan verlenen. Nee, stel dat een gewoon burger en een dictator hetzelfde doen. Bekijk dan eens wie van beiden met diezelfde daden grotere dank oogst.

‘Ik begin met heel onbeduidende voorbeelden. Laten we zeggen dat de heerser en de burger iemand zien en hem vriendelijk aanspreken. Wiens aanspreking zal de man in kwestie meer plezier doen, denkt u? Of stel dat ze hem beiden prijzen. Wiens lofprijzing zal de man dan plezieriger treffen? Of beiden brengen een offer en geven hem de ere-portie. Wiens ere-portie zal grotere dank oogsten, denkt u? Of ze besteden evenveel aandacht aan een zieke. Is het niet evident dat de aandacht van de machtigste ook de meeste dank zal oogsten? Of stel, ze geven een even groot cadeau. Is het niet ook hier evident, dat de helft van de gunsten van de machtigste meer uithaalt dan het hele geschenk van de gewone burger?

‘Naar mijn idee krijgt een heerser ook meer eer en gunsten van de kant van de goden. Niet alleen krijgt een mens door te heersen meer uitstraling, maar we zien dezelfde man ook liever in de positie van heerser dan als gewoon burger. Conversatie met mensen van hogere rang stemt ons trotser dan een gesprek met gelijken. En wat leuke jongens betreft (een thema dat u bracht tot scherpe kritiek op de positie van dictator): die vinden het helemaal niet erg als een heerser oud is, en als hun beschermer eventueel lelijk is, letten ze daar helemaal niet op. Een eervolle positie draagt veel bij aan iemands luister, zodat zijn onaangename kanten uit het zicht raken en zijn mooie kanten nog stralender uitkomen.

‘Voor precies dezelfde diensten oogsten jullie, heersers, dus al grotere dank. Maar jullie kunnen natuurlijk veel meer bereiken en voor anderen doen: jullie hebben veel meer weg te geven. Dan zou het toch logisch zijn dat jullie ook meer genegenheid krijgen dan gewone burgers?’

‘Maar dat is niet zo,’ onderbrak Hiëro hem. ‘Wij laten ons onvermijdelijk veel vaker in met praktijken waar mensen zich gehaat mee maken. Er moet geld gevorderd worden, willen wij kunnen besteden wat nodig is. Wij moeten mensen dwingen om te bewaken wat bewaking vergt, wij moeten criminelen straffen en beteugelen wie zijn boekje te buiten wil gaan. En als zich eens een gelegenheid aandient waarbij met spoed ter land of ter zee moet worden opgetreden, kunnen we geen laks gedrag tolereren. Verder heeft een dictator huurlingen nodig, en dat is het meest bezwaarlijke voor burgers wat er is. Zij denken namelijk dat de dictator die er niet op nahoudt om gelijke rechten te garanderen, maar enkel uit eigenbelang.’

(9) ‘Al die dingen vragen om maatregelen,’ hernam Simonides, ‘dat ontken ik niet. Maar volgens mij zijn er twee soorten maatregelen: je hebt er die tot grote impopulariteit leiden, maar ook die grote dankbaarheid opleveren. Instructie geven in wat het beste is, en lof en roem brengen aan wie dat prima ten uitvoer brengt, is een maatregel die dankbaar wordt ontvangen. Maar iemand die ergens in tekort schiet uitkafferen en onder druk zetten en beboeten en straffen, daar maak je je natuurlijk eerder impopulair mee. Mijn stelling is als volgt. Een heerser moet het straffen van mensen die tot de orde moeten worden geroepen aan anderen overlaten, maar het uitreiken van prijzen voor zichzelf behouden.

‘Dit werkt uitstekend, zo leert de praktijk. Wanneer wij een koorwedstrijd willen houden, looft de heerser de prijzen uit, terwijl koorleiders de rest moeten doen: bijeenbrengen van de zangers, instructie geven en dwang uitoefenen als mensen ergens in tekort schieten. Dit is dus een eerste voorbeeld van hoe de heerser de aangename taak krijgt en anderen de onaangename taken. Maar wat let u om ook in andere bestuurszaken zo te werk te gaan? Alle steden zijn ingedeeld in phylai of morai of lochoi,[ii] en over ieder deel zijn bestuurders aangesteld. Als men hier nu zo doet als bij de koren en prijzen uitlooft voor goede bewapening en discipline, voor goed paardrijden, dapperheid in de oorlog en eerlijkheid in het zakelijk verkeer, dan ontstaat op al deze gebieden vanzelf competitie en gaat men zich er serieus op toeleggen.

‘En het gaat nog wel verder. Mensen die eer najagen zullen sneller optrekken naar de plek waar ze heen moeten en sneller hun bijdrage betalen als het daar de tijd voor is. En de nuttigste bezigheid, waar competitie gewoonlijk maar een kleine rol in speelt, de landbouw, zal grote vooruitgang boeken zodra men per akker of per dorp prijzen uitlooft voor de beste bewerkers van het land. Burgers die zich met kracht hierop richten zullen veel goeds teweeg brengen. Want de inkomsten nemen toe en bovendien gaat hard werken heel vaak samen met een goede moraal. Wie actief is komt immers minder tot wangedrag.

‘En wanneer de stad van de handel profiteert en de grootste zakenman in ere staat, zal dit heel wat handelaren aantrekken. Als duidelijk wordt dat het aanboren van een inkomstenbron voor de stad waar de mensen geen nadeel van hebben een eervolle zaak is, zal men geen mogelijkheden laten liggen. Kort samengevat: als mensen met goede nieuwe ideeën, op alle gebieden, onmiskenbaar geëerd worden, heeft dit een stimulerend effect. Velen gaan zich er dan op toeleggen iets nieuws te bedenken. En wanneer velen zich met nuttige zaken bezighouden, leidt dit vanzelf tot uitvindingen en goede resultaten.

‘Misschien bent u bang, beste Hiëro, dat het uitloven van allerlei prijzen u op hoge kosten komt te staan. Maar bedenkt u dan dat er geen goedkopere handelswaar is dan wat mensen kopen in ruil voor een prijs. Ziet u niet hoe bij paardenraces, sportcompetities en koorwedstrijden kleine prijzen[iii] de mensen brengen tot grote uitgaven, veel inspanningen en training?’

(10) ‘Dat is allemaal goed en wel, Simonides,’ zei Hiëro, ‘maar hoe zit het dan met huurlingen? Heb jij een idee hoe men die er op na kan houden zonder impopulair te worden? Of beweer jij misschien dat een heerser, als hij eenmaal populair is, helemaal geen lijfwachten meer nodig heeft?’

‘O nee,’ zei Simonides, ‘zeker heeft hij die nodig. Ik weet dat het bij bepaalde mensen is als met paarden: hoe overvloediger ze krijgen wat ze nodig hebben, des te minder handelbaar ze zijn. Dat soort lieden blijft beter in het gareel door vrees voor lijfwachten. Maar voor het betere soort mensen ligt de zaak anders. Volgens mij kunt u die nergens zoveel voordeel mee bezorgen als met huurlingen!

‘Het is natuurlijk zo dat u huurlingen onderhoudt uit eigen belang, als bewakers. Maar meesters sterven vaak door geweld van hun slaven. Huurlingen zouden daarom als eerste taak moeten hebben lijfwacht van álle burgers te zijn en iedereen te helpen als ze van aanslagen lucht krijgen. In steden komen altijd kwaadwilligen voor, dat weten we allemaal. Als de huurlingen dus tot taak hebben de burgers te beschermen, zouden die beseffen dat ze iets aan hen kunnen hebben. Bovendien zouden huurlingen natuurlijk ook aan landarbeiders en dieren een gevoel van zekerheid en veiligheid kunnen geven, zowel op uw eigen land als in heel de streek. En zij zijn in staat de burgers vrije tijd te bezorgen voor persoonlijke zaken doordat zij strategische plekken bewaken.

‘En verder, wie kan heimelijke, onverhoedse aanvallen van de vijand beter zien aankomen of verhinderen dan mannen die altijd bewapend zijn en dat ook tot taak hebben? Ook op campagne is niets zo nuttig voor burgers als huurlingen. Want die staan natuurlijk meteen paraat om in hun plaats inspanningen en gevaren te trotseren en wacht te lopen. En doordat er steeds mensen onder de wapenen zijn, zullen ook naburige steden juist vrede willen, dat moet toch haast wel? Mannen met de taak de belangen van vrienden te beschermen en die van vijanden te schaden kunnen hiervoor zorgen.

‘Welnu, wanneer de burgers inzien dat de huurlingen onschuldigen geen kwaad doen en potentiële boosdoeners in het gareel houden, dat ze slachtoffers ondersteunen, zorg dragen voor de burgers en gevaar voor hen trotseren, zullen zij ook graag bijdragen voor hen betalen. Dat moet toch wel? Thuis hebben ze bewaking voor zaken van minder belang!

(11) U moet ook niet aarzelen, beste Hiëro, om uit eigen middelen kosten te maken terwille van het algemeen belang. Want wat een dictator uitgeeft aan zijn stad is beter besteed, denk ik, dan wat hij uitgeeft voor zichzelf. Laten we alles in detail bekijken.

‘Wat draagt meer bij aan uw luister? Een voor exorbitante bedragen verfraaid paleis, of een stad voorzien van muren, tempels, zuilengangen, marktpleinen en havens? Wat maakt u geduchter voor de vijand? Als u zelf in een indrukwekkende bewapening verschijnt? Of als uw hele stad goed bewapend is? En hoe genereert u grotere inkomsten? Door uw eigen kapitaal te activeren, of door een manier te bedenken om het kapitaal van alle burgers te activeren?

‘En dan het fokken van renpaarden, veelal beschouwd als de mooiste en verhevenste bezigheid die er is. Wanneer verleent dat u meer luister? Als u er zelf de meeste renpaarden van alle Grieken op na houdt en afvaardigt naar de Spelen, of als er uit uw stad de meeste fokkers en de meeste deelnemers komen? Welke zege is mooier, denkt u? Een zege door de kwaliteiten van uw team of door de welvaart van de stad waar u het bewind voert?

‘Persoonlijk vind ik dat het een dictator niet eens past met gewone burgers de strijd aan te gaan. Want bij een zege wordt u niet bewonderd maar benijd, omdat u het geld van vele huishoudens te besteden heeft, terwijl u bij verlies het meest van allemaal wordt uitgelachen. Nee, Hiëro, ik zeg u: uw strijd is er een tegen bewindvoerders van andere steden. Als de stad waarover u het bewind voert welvarender blijkt, dán, besef het goed, behaalt u de zege in de fraaiste en meest verheven wedstrijd die er is.

‘Daarmee wint u ook de genegenheid van uw onderdanen, iets waar u zo naar verlangt. In de tweede plaats is er in dat geval niet een enkele stem die uw zege rondbazuint, maar zullen alle mensen uw kwaliteiten bezingen. Allen zien u naar de ogen en u wordt bewonderd door gewone burgers en door tal van steden. U zult groot respect oogsten, niet alleen thuis, maar ook publiekelijk bij allen. En wat uw persoonlijke veiligheid betreft: u kunt gaan en staan waar u wilt om dingen te bekijken, en u kunt er ook voor thuis blijven. Want bij u is het altijd feest, met mensen die iets bijzonders, iets moois, iets goeds willen laten zien, of die u graag willen dienen. Elke aanwezige is een bondgenoot, elke afwezige wil u graag zien.

‘Op die manier wordt u niet alleen populair bij de mensen, maar zelfs hun grote favoriet. U hoeft niet te dingen naar de gunsten van mooie jongens, maar u mag verdragen dat zij dingen naar die van u. Angst dat u iets overkomt hebt u niet zelf maar bezorgt u anderen. Uw mensen gehoorzamen u bereidwillig en u zult merken dat ze uit eigen beweging voor u zorgen. En dreigt er gevaar, dan zult u zien dat zij uw bondgenoten zijn, uw voorvechters, uw partizanen! U wordt vele geschenken waardig geacht en u zit zelf niet verlegen om goedgezinden die u ergens in kunt laten delen. Iedereen verheugt zich met u over uw geluk, iedereen vecht voor uw belangen alsof het eigen belangen zijn. Uw schatten, dat zijn de rijkdommen bij al uw vrienden.

‘Goede moed dus, Hiëro! Maak uw vrienden rijk, dan maakt u uzelf rijk! Laat de stad groeien en bloeien, dan vermeerdert u uw eigen macht. Zorg dat u bondgenoten voor de stad maakt, beschouw uw vaderstad als uw huis, de burgers als uw vrienden, uw vrienden als uw eigen kinderen, uw kinderen als uw ziel en zaligheid, en probeer iedereen in weldaden te overtreffen. Want als u uw vrienden in weldaden overtreft, kunnen uw vijanden geen stand tegen u houden.

‘En als u dit allemaal doet, weet dan dat het mooiste en allerheerlijkste bezit ter wereld het uwe zal worden: geluk zonder afgunst.’

 

===========================

 

De belangrijkste werken van Xenofon zijn in moderne Nederlandse vertalingen beschikbaar. Van recente datum zijn:

 

Xenofon, Symposium / Sokrates’ verdediging, vertaald door Michiel Op de Coul, Athenaeum - Polak & Van Gennep, Amsterdam 2000;

Xenophon, Kyros de Grote, de vorming van een vorst, vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door John Nagelkerken, Voltaire, ‘s-Hertogenbosch 1999;

Xenophon, Herinneringen aan Socrates, vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Cornelis Verhoeven, Voltaire, ‘s-Hertogenbosch 2000;

Xenofon, De Spartaanse maatschappij; Plutarchus, Lycurgus, vertaald door Gerard Janssen, Chaironeia, Leeuwarden 2000.

 

De Hiëro werd niet eerder volledig in het Nederlands vertaald; (Ch. van Deventer besprak het werkje in zijn Helleensche studiën, S.L. van Looy, Amsterdam 1897, 154-159, met een vertaling van de openingszinnen en een parafrase van het geheel).

‘De Nederlandse vertaling is gebaseerd op de volgende uitgaven:

Xenophon, Scripta minora, [translated by] E.C. Marchant, Loeb Classical Library, nr 183, London/Cambridge Mass. 1962 (4e dr.), 1-57;

Xenophon, Opera omnia, tomus V: opuscula, [edited by] E.C. Marchant, Clarendon Press, Oxford 1969 (5e dr.).

 

Verder heb ik gebruik gemaakt van:

The Hieron of Xenophon, with introduction, notes, and critical appendix by H.A. Holden, Macmillan and Co, London 1883.

 

Enkele van de weinige recente artikelen over de tekst zijn:

V.J. Gray, ‘Xenophon’s Hiero and the meeting of the wise man and tyrant in Greek literature’, in: Classical Quarterly 36, 1986, 115-23;

A. Gelenczey-Mihálcz, ‘Thoughts on tyranny. Xenophon’s Hiero’, in: Acta Antiqua Academiae Scientiae Hungaricae 40, 2000, 113-121.

 

Een van de vertaalproblemen in de Hiëro is de weergave van het Griekse turannos. Het Nederlandse ‘tiran’ (dat er wel van is afgeleid) is hier minder goed bruikbaar vanwege zijn speciale, meer huiselijke associaties. ‘Alleenheerser’ is vaak een goede weergave, maar lijkt voor deze tekst niet scherp genoeg. Ik heb gekozen voor ‘dictator’, omdat dit ook voor ons een vooral politiek begrip is, dat bovendien een aantal relevante associaties oproept.

‘Mijn dank gaat uit naar André Lardinois, Marco Balvers en Eric Moormann, die de vertaling en het bijbehorende essay hebben meegelezen.

 

[i]. Bedoeld zijn grote religieuze feesten met wedstrijden, zoals de Olympische Spelen.

[ii]. Attica was verdeeld in (tien) phylai, Sparta in (zes) morai, andere steden, zoals Thebe in lochoi.

[iii]. Bij klassiek-Griekse vormen van competitie waren de materiële prijzen voor winnaars beperkt. Zo kregen winnaars op de Spelen een olijfkrans.

 


naar pagina over Xenofon-vertaling

naar integrale tekst essay


latest changes here: 30-07-2012 16:01
 


HOME VH / vincenthunink.nl

(c) 2014 V. Hunink

copyright statement  / contact