VincentHunink.nl

Home > ONDERZOEK > VERTALINGEN | EDITIES | PUBL.LIJST | PROJECTEN ||| BRONNEN | INDEX


 

'Een oud-Romeinse boerenpesto
Het Moretum'
 


tekst gepubliceerd in: Hermeneus, 76, 2004, 130-139


[>p.130] Onder de aan de grote dichter Vergilius toegeschreven Latijnse poëzie bevindt zich heel wat aardig materiaal. Omdat het veelal duidelijk 'niet-authentiek' Vergiliaans is, krijgt het soms niet de aandacht die het op zichzelf zou verdienen. Positief geformuleerd: voor een nieuwsgierige lezer zijn hier nog plezierige ontdekkingen te doen. Een mooi voorbeeld biedt het zogenaamde Moretum, een anoniem gedicht dat vermoedelijk stamt uit de tijd van Tiberius (begin eerste eeuw na Chr.)

Het gedicht bestaat uit 122 Latijnse hexameters en is geschreven in een epische stijl die onmiskenbaar aanleunt tegen Vergilius en Ovidius. De inhoud steekt daar markant en welbewust bij af. We lezen hier niet van heldendaden, van strijd voor volk en vaderland, van wonderlijke en bovenmenselijke avonturen, maar krijgen een bij uitstek aards en prozaïsch tafereel voorgeschoteld: het begin van de dag van Simulus, een onaanzienlijke, kleine boer.

 

De nacht heeft reeds een tiental winteruren

achter de rug en haangekraai weerklinkt

als Simulus, een keuterboer, ontwaakt.

Bezorgd dat hij die dag niet eten zal

verheft hij zich met moeite van zijn brits        5

en tast in het aardeduister rond, op zoek

naar de haard. Hij stoot zich flink. Daar is zijn doel.

In uitgebrande blokken schuilt nog net,

onder de as, een laatste smeulend kooltje.

Hij bukt het hoofd en houdt meteen zijn lamp            10

erbij. Een droog stuk lont vist hij omhoog,

terwijl hij het kwijnend vuurtje wakker blaast.

De vlam slaat amper over, eindelijk.

Hij houdt de hand beschermend om het licht.

 

Nu ziet hij ook de kastdeur. Fluks de sleutel                   15

omgedraaid! Er ligt daar op de grond

wat graan, een vrij armzalig hoopje maar.

Hier schept de boer een vijftal kilo's van,

en kiest daarna positie bij zijn molen.

De trouwe lamp komt op haar eigen plankje. 20

Dan vooruit, de handen uit de mouwen

gestoken, het grove geitenhuidje om

en molenstenen vegen; holten ook!

 

[>p.131] Vervolgens is er werk voor beide handen:

de linker dient, de rechter zwoegt het hardst.         25

Zij draait en keert het wentelende wiel

(het graan loopt door en wordt gestaag geplet)

maar soms brengt links haar moede zuster hulp

en neemt de beurt. Een bonkig boerenlied

ligt nu eens op zijn lippen, arbeidstroost, 30

dan weer roept Simulus zijn Scybale,

zijn enige meid, een volbloed negerin

met kroeshaar, volle lippen, zwarte teint,

van boven breed en uitgezakt, de buik

heel plat, een spillebeen op grote voet.   35

Haar roept hij en beveelt direct een vuur

te stoken om wat water op te koken.

 

Zodra het draaiend zwoegen is voltooid

veegt hij het meel voorzichtig in de zeef

en schudt: nu blijft de rommel boven liggen 40

terwijl de ware Ceres zuiver door de

mazen vloeit. Dan op de plank ermee

en vlug wat van het warme vocht erbij!

Hij mengt en kneedt het water met het meel

en gooit het steeds weer om, deelt dra het deeg           45

in bollen, die hij licht met zout bestrooit.

Hij strijkt ze glad en maakt ze keurig rond

en drukt met zorg wat ruiten in het deeg.

Zo gaat het brood de oven in (waar de meid

een hoekje heeft gereinigd): scherfjes erop                   50

en bakken maar...

 

                        Vulcanus alsook Vesta

zijn druk doende, maar ook Simulus zit

niet stil en zoekt zich nog iets extra's uit.

'Niet bij brood alleen'. Dus iets erbij!

Maar wat? Hij heeft geen haken naast de haard          55

waar hompen harde pekelham aan prijken,

alleen een rookkaas met een touw erdoor

waarnaast een bosje oude dille hangt.

Dus spreekt de held zijn andere schatten aan.

 

[>p.132] Zijn huisje kent een tuin, omheind door rijshout 60

opgevuld met oude stengels riet.

De ruimte is beperkt, maar rijk voorzien

van alles waar een arme baat bij heeft.

(Soms komen rijken bij de arme kopen!)

Het kost hem verder niets, alleen wat werk.                   65

Wanneer hij soms, door regen of een feestdag,

niets omhanden heeft en niet kan ploegen,

komt alle tijd ten goede aan de tuin.

Hij plaatst zijn planten als de beste, zaait

volleerd en is expert in irrigeren.     70

Kijk, daar staat de kool en brede biet,

en daar groeit zuring, malve en alant,

rapunzel ook en prei en malse sla

waardoor een zwaarbeladen maag tot rust komt.

Daarnaast staat weer radijs met bolle knol     75

en zware, dik-bebuikte kalebas.

Die oogst blijft niet bij hem (hij leeft zeer krap...)

maar gaat de verkoop in: op marktdag draagt hij

diep gebukt zijn koopwaar naar de stad

en keert hij licht, maar zwaar met geld terug.   80

-- De hand blijft meestal stevig op de knip!

Met rode ui en bieslook wordt hij zelf

zijn honger de baas, met scherpe waterkers,

andijvie en raketsla, goed voor Venus...

 

Zulks bedenkend treedt hij in de tuin.            85

Zijn vingers woelen lichtjes in de grond

en halen strakke bollen knoflook boven,

vier maar liefst! Hij plukt ook peterselie,

ruwe ruit en takjes koriander.

Aldus bevoorraad schuift hij aan bij het vuur   90

en luid roept hij de meid om zijn mortier.

 

Van elke bol wordt het blanke lijf ontbloot

en zelfs gevild. De vellen vallen neer

als afval op de vloer. Daarna wordt teen

na teen bevochtigd: hup, de vijzel in.   95

Wat korrels zout erbij en stukken oude

[>p.133] brokkelkaas en daarop al die kruiden.

Hij klemt de vijzel in zijn harig kruis,

met links, en perst de scherpe look met rechts,

waarna de rest in het pulpje wordt gemengd.                 100

 

Zijn hand maalt door en langzaamaan wordt alles

één geheel in één gemengde kleur:

niet groen vanwege alle brokjes wit,

niet romig wit doordat er zoveel groen

in zit. Veelvuldig treft een scherpe geur                 105

de neus en trekt de boer een vies gezicht,

veelvuldig pinkt hij ook een traantje weg,

de rook verwensend -- die 't niet helpen kan.

Het werk vlot goed. De stamper draait al niet meer

schoksgewijs, maar kalmer, zwaarder voort.                 110

Dan druppelt hij er Pallas-olie bij,

begiet het kort met krachtige azijn

en nogmaals mengt hij alles flink dooreen.

Tenslotte strijkt hij met twee vingers rond

in de kom en haalt de dichte massa los. 115

Het resultaat: een eersteklas moretum!

 

De snelle Scybale heeft reeds het brood

uit de haard gehaald, en Simulus is blij:

geen vrees voor honger meer, zijn dag is goed.

Dan lappen om de benen, muts op, ossen   120

rustig onder het juk gebracht en monter

akkerwaarts: de ploeg moet in de grond!

 

---

Het gedicht vertelt hoe de arme landman in eenzaamheid en duisternis ontwaakt en allereerst op zoek moet naar licht en vuur. Als dat er is, komt zijn volgende primaire behoefte aan de orde: eten. Wil Simulus die dag wat te eten krijgen, dan moet hij meteen aan de slag. Minutieus beschrijft de dichter hoe de boer uit zijn voorraadkast wat graan tevoorschijn haalt, dit maalt en zeeft, en met het verkregen meel deeg maakt. Het brood wordt afgedekt met armzalige scherven (een fatsoenlijk stuk aardewerk heeft hij daarvoor kennelijk niet) en gaat het vuur in.

Dan is het tijd voor fase twee. Droog brood eten is zelfs voor de arme Simulus geen optie en dus gaat hij naar buiten om wat groenten te plukken. De dichter neemt de gelegenheid te baat om Simulus' tuintje te beschrijven en produceert in kort bestek

[>p.134] zelfs een soort epische 'catalogus' van groenten. Net als we gaan denken dat de boer het nog niet zo slecht heeft, blijkt het opgesomde niet voor eigen gebruik te zijn bestemd maar voor de verkoop. Wat de boer dan wel voor zijn maaltijd uit zijn tuintje haalt blijkt tamelijk eenvoudig: knoflook, peterselie, ruit en koriander. Die ingrediënten prakt hij met kaas, zout, olie en azijn tot een soort dikke saus, moretum, die vervolgens naast of op het inmiddels gebakken brood kan worden genuttigd. Er is dus geen sprake van een 'stamppot', zoals de titel in Nederlandse handboeken meestal wordt vertaald. Ook een titel als 'la pizza rustica', die ik in een recente Italiaanse uitgave aantrof, is wel leuk gevonden maar misleidend. Het groenten-kaasmengsel gaat immers niet op het deeg de oven in. Misschien komt 'pesto' nog het dichtst in de buurt, al zou het dan een variant betreffen zonder grote hoeveelheden basilicum.

Zodra de maaltijd bereid is, blijven culinaire details helaas achterwege. Gaat Simulus meteen ontbijten? In dat geval zal de zware knoflook-pesto op het nog warme brood aangenaam zacht en lauw zijn geworden. Ik zou zeggen: gastronomisch gezien niet zo'n slecht idee, al ligt het op de vroege ochtend misschien wat zwaar op de maag. Er is zeker ook iets voor te zeggen om de pesto een tijdje te laten staan, zodat de smaken zich goed vermengen. Die tweede mogelijkheid laat zich goed verenigen met de tekst zelf. Aan het slot wordt namelijk de indruk gewekt dat Simulus na het bereiden van zijn maal eerst aan de landarbeid gaat. In dat geval zal hij zijn maal later op de dag nuttigen, zodra hij 's middags moe thuis komt.
 

[>p.135] Eenvoudige landman

Er rijzen trouwens nog wel meer vragen naar aanleiding van deze merkwaardige en fascinerende tekst. Waar is bijvoorbeeld de traditionele hardwerkende, stevige boerin, en zijn er geen stoere kinderen die mee kunnen helpen? Simulus is kennelijk weduwnaar of verstokte vrijgezel. Hij staat er nochtans niet helemaal alleen voor: enkele malen valt er iets te lezen over zijn meid, Scybale, die omstandig getypeerd wordt als een rasechte Afrikaanse. Hoe zij zich precies verhoudt tot Simulus blijft overigens onduidelijk. Is zij een vrije vrouw, die bij hem dienst doet, misschien tegen kost en inwoning? Een slavin? Hoe komt ons eenvoudige Italische boertje eigenlijk aan zo'n stevige Afrikaanse vrouw? In Romeinse bronnen is verder geen sprake van boerenmeiden uit Afrika.

Helemaal onverklaarbaar is Simulus' situatie intussen niet. Als kleine boer met een stukje grond zou hij heel goed een ex-militair kunnen zijn, een oorlogsveteraan, die wellicht in de provincie Africa heeft gediend en daar een leuk jong meisje heeft meegenomen naar Italië, waar hij na zijn dienst een lapje grond kreeg toegewezen. Hun verhouding is misschien ook meer dan een strikt zakelijke van meester en dienares. De tekst lijkt dit voorzichtig te suggereren in het detail van de raketsla, die 'goed voor Venus' is. Het is een ingrediënt dat Simulus onbekommerd door het eten doet, en aangenomen dat hij er samen met Scybale van eet, zal het hun beider prestaties zeker ten goede komen.

[>p.136] De vele, in de antieke literatuur unieke, bijzonderheden over het bereiden van de twee boerengerechten (brood en moretum) geven intussen nog geen compleet beeld van de maaltijd. Waar is bijvoorbeeld de wijn? Of wordt er water of melk gedronken of iets warms? En zou Simulus werkelijk elke ochtend één vers brood bakken en een moretum maken? Dat lijkt toch tamelijk onpraktisch en oneconomisch. Misschien ontbreken hem de ruimte en middelen om enkele broden tegelijk te bakken, of doet hij gewoon meerdere dagen met het eten. En wat te denken van de ingrediënten? Dat vijf kilo graan (het Latijn rept van tweemaal acht Romeinse ponden, dus eigenlijk is het zelfs ruim 5,2 kilo) slechts resulteert in meel voor één groot brood is nog voorstelbaar, al lijkt het veel, maar hoe wordt het een echt brood zonder gebruik van gist of desem? Van het rijzen van het deeg is nergens sprake. Is de dichter hier misschien een detail vergeten?

Het Moretum is al helemaal een verbazingwekkend gerecht. Het lijkt vooral te bestaan uit vier hele bollen knoflook, die er rauw in gaan, enkel gemengd met kaas en kruiden en licht aangemaakt. Zelfs Simulus kan er amper tegen als de scherpe geur van de overvloedige knoflook tijdens het pletten doordringt in ogen en neus. Als hij het moretum met Scybale werkelijk op een enkele dag opeet, kunnen we ons misschien een voorstelling maken van de geur die hij moet hebben verspreid... Hedendaagse knoflookliefhebbers zullen niet snel boven een bol bewerkte knoflook per dag per persoon kunnen komen, maar Simulus beschikt kennelijk over een ijzeren maag- en darmkanaal.


Zelfvoorziening 

Bij alle vragen die de tekst nog oproept, wordt er een vrij indringend beeld gegeven van het boerenbestaan. Het is het karige, moeitevolle leven van een zelfstandige kleine boer, die voor een groot deel zelfvoorzienend is en zijn overschotten verkoopt op de markt. Zoals het een goed Romeins boer betaamt, probeert Simulus de opbrengst niet geheel om te zetten in andere producten, ongetwijfeld om een klein beetje te sparen. De tekst noemt een paar producten, waarvan is aan te nemen dat hij ze toch op de markt heeft gekocht of misschien met buren heeft geruild: olie en azijn, zout en kaas, kookgerei zoals vijzel en bakplaat, werktuigen zoals ploeg en juk, en verder kleren en huisraad. Als Simulus alleen wat land bezit dat hij met ossen bewerkt, zal hij wel niet tegelijkertijd olijven en druiven verbouwd hebben en koeien hebben gehouden. Of het zou moeten zijn dat Scybale er nog een eigen activiteit op na houdt.

Alle vrije tijd, zo vertelt de dichter, gaat in het tuintje zitten. Het werk in de tuin dient een tweeledig doel, vermoedelijk net als het eigenlijke boerenwerk: een deel wordt gekweekt voor de verkoop, te weten kool, bieten, zuring, malve en alant, rapunzel, prei, sla, radijs en kalebas. Het lijkt hier om meer luxueuze soorten groenten te gaan, waarvan een aantal ook enigszins bederfelijk is en dus snel geconsumeerd moet worden. De tekst schrijft hier expliciet over rijken die bij de boer hun extra's komen halen, en [>p.137] over de welkome digestieve eigenschappen van sla, iets waar juist welvarende veel-eters behoefte aan zullen hebben gehad. Voor eigen gebruik levert de tuin daarnaast enkele meer eenvoudige groenten, waaronder ook rode ui, bieslook, waterkers, witlof en de al genoemde raketsla.

Zoals het moretum laat zien, is het belangrijkste element hier zonder meer de knoflook, die in grote hoeveelheden bij het brood genuttigd wordt. Rauwe knoflook geldt in de Romeinse literatuur bij uitstek als het onverfijnde boerenvoedsel van de 'Ouden', en de tekst lijkt juist dit facet beeldend uit te werken.

Met dit alles is Simulus duidelijk een boer die het soort landbouw bedrijft dat wordt aangeduid met subsistence farming. Dit eenvoudige systeem, gebaseerd op individuele productie door vrije boeren voor eigen gebruik, met ruil of verkoop van overschotten, was in de Romeinse wereld van de Republiek heel lang gangbaar. Na de Tweede Punische oorlog kwam weliswaar een meer grootschalige vorm van landbouw opzetten waarin het werk vooral door slaven werd gedaan, maar de oude manier van 'boeren' bleef in vele streken een normaal verschijnsel. Ook vandaag de dag komt subsistence farming in minder ontwikkelde gebieden nog op vrij grote schaal voor.

Ironie

De dichter schildert zijn agrarische held met veel oog voor details. De lezer wordt meteen uitgenodigd om zich in hem te verplaatsen als hij wakker wordt en in het duister tast, en de meeste handelingen worden precies of zelfs overprecies beschreven. Een voorbeeld van het laatste is het tafereeltje waar Simulus zijn knoflook schoonmaakt en pelt: de dichter let zelfs op de velletjes die naar de grond dwarrelen.

De lont die vlam vat, het plankje waar de lamp op wordt gezet, de schort die wordt omgedaan, het zeven, de vormpjes die in het deeg worden gedrukt, de langzaam zich mengende kleuren in het moretum, de steeds soepeler draaiende stamper... geen detail lijkt onwaardig om in deze verzen vereeuwigd te worden.

Voor een moderne poëtica ligt hier uiteraard geen enkel probleem: alles kan immers tot kunst worden. Maar gemeten naar antieke normen is de stofkeuze wel merkwaardig. Uitgerekend 'banale', routineuze bezigheden uit het dagelijkse leven van zowat de laagste sociale klasse worden hier poëtisch belicht en uitvergroot. In [>p.138] Vergilius' Georgica, het meest voor de hand liggende voorbeeld, wordt het boerenleven verregaand geïdealiseerd, tot een poëtische abstractie gemaakt en via politieke of ideologische boodschappen (van welke aard ze ook precies zijn) op een hoger plan getrokken. Hier lijkt zo'n bedoeling afwezig.

Het enige wat in de tekst onmiskenbaar naar voren komt, is een subtiele ironie. De dichter is zich het contrast bewust van enerzijds zijn epische genre en dictie, anderzijds zijn bij uitstek on-epische stof, en hij exploiteert dit scherpe contrast met zichtbaar genoegen. De tekst staat vol reminiscenties aan Vergilius en Ovidius, en roept menigmaal ook algemeen epische motieven op. Zo wordt Similus aan het slot als een soort held beschreven die na een 'bewapeningsscène' ten strijde trekt. In zijn geval is dat: boerenlompen aantrekken en gaan ploegen. Eerder al worden zijn 'grote talenten' geroemd als het gaat om... plantjes ordenen, zaaien en water geven. Ook de ernst en toewijding waarmee hij het brood bakt en zijn moretum kneedt herinneren aan patronen uit het epos: het doet denken aan een vakkundig vechter of een goddelijke vakman zoals Hephaestus die een schild vervaardigt. En eigenlijk begint Simulus' dag al heel heroïsch: hij staat op. Hij zou wel willen blijven liggen, maar de plicht roept!

Het is intussen de vraag tegen wie of wat de ironie van de dichter is gericht. In de literatuur over het Moretum-gedicht zijn hierover verschillende visies te vinden, die geen van alle eenduidig te bewijzen zijn. Het is denkbaar dat de dichter als een echte elitaire kunstenaar vooral het keuterboertje belachelijk wil maken, door hem in een heroïsche literaire jas te hullen. Het stadse leespubliek zal er meewarig en hooghartig om gelachen hebben: het onbenullige boertje met zijn ouderwetse knoflook-lucht en zijn oud-Romeinse gebrek aan verfijning. De vele literaire toespelingen zouden dan vooral het gevoel van superioriteit van de lezer versterken.

Maar hiermee wordt de figuur van Simulus misschien tekort gedaan, want hij wordt door de dichter toch tamelijk sympathiek getekend. Wie de tekst leest, zal minstens iets van bewondering voelen voor de eenvoudige landman, die zich zonder hoogdravende filosofie en politiek, zonder geld en corrumperende macht, zelfstandig redt en er niet merkbaar ongelukkig onder is. De ironie in de tekst zou om die reden juist ook gericht kunnen zijn tegen het stadse publiek van de dichter, dat zelf van zulke eenvoud ver verwijderd was.

Mogelijk is het geheel vooral een literair spelletje, waarbij de dichter de regels van het verheven epische genre ironiseert door er een simpele, sympathieke landman mee te beschrijven. In afgeleide zin zou de ironie van de tekst eventueel zelfs het metier van de dichter zelf kunnen betreffen. Maar zulke zelfspot is bij Romeinse dichters in het algemeen geen sterk ontwikkelde trek, dus voorzichtigheid is hier geboden.

[>p.139] In ieder geval is het Moretum een grappig culinair en botanisch curiosum, en vormt de tekst een verfrissende voetnoot bij het genre epos. Via deze unieke, speelse tekst krijgen we een boeiende blik op wat toch altijd is gevoeld en beschouwd als de basis van de Romeinse cultuur: het gewone boerenleven. Het is een paradox dat we daarover iets te weten komen in een hoogliterair gedicht. (Dat geldt ook voor sommige realia, zoals de werking van de handmolen.)

De ironie van de tekst staat er intussen borg voor dat de lectuur steeds boeiend blijft, ook voor niet-tuiniers. Het gedicht is blijkens woordkeus en metriek zeker niet van Vergilius, maar het kan die toeschrijving beslist met ere dragen.

BIBLIOGRAFISCHE AANTEKENING 

De vertaling van het Moretum is gebaseerd op de Latijnse tekst van E.J. Kenney in: Appendix Vergiliana, ed. W.V. Clausen, F.R.D. Goodyear, E.J. Kenney, J.A. Richmond (Oxford 1967) (Oxford Classical Text), 155-163. Dezelfde geleerde schreef ook een uitstekend praktisch commentaar, waar ik veel hulp aan heb gehad: The ploughman's lunch. Moretum. A poem ascribed to Virgil, edited with translation, introduction and commentary by E.J. Kenney (Bristol 1984).

Voor de vertaling gebruikte ik ook enkele andere versies, waaronder: Moretum, ein römisches Gedicht über einen Frühstückskäse, [vertaling Richard Heinze], Archäologischer Park/Regionalmuseum Xanten z.j. (te koop aan de kassa in Xanten), en: Appendix Vergiliana, prefazione di Luca Canali, a cura di Maria Grazia Iodice (Milano 2002), 397-425.

In Hermeneus verscheen eerder een volledige vertaling van het Moretum door Anton van Wilderode in het Vergilius-themanummer: 'Winter op het land', Hermeneus 54 (1982), 329-333. Deze vlotte vertaling wordt jammer genoeg ontsierd door regels als: Zo is, zowel met name als in feite / een authentieke stamppot klaargekomen (p.333), en is in het algemeen wat lang van stof (zo'n 200 jambische vijfvoeters). Na ruim twintig jaar mocht het gedicht, meen ik, ook wel eens opnieuw worden vertaald. De nieuwe vertaling is eveneens in jambische vijfvoeters, maar nu met een even groot aantal verzen als het origineel. Over de gehanteerde vertaalmethode, vergelijk ook mijn bijdragen 'Vertalen van hexameters', Hermeneus 75 (2003), 217-228 en 'Wieden en snoeien met Walafried. Latijnse hexameters in jambische vijfvoeters', in: Filter 10 (2003), 2, 47-53.

Mijn grote dank gaat uit naar Wim Verbaal, die de vertaling nauwgezet heeft becommentarieerd. Van zijn talrijke opmerkingen en suggesties heb ik met plezier gebruik gemaakt.

 


Naar Latijnse tekst van het Moretum

Naar review of: C. Laudani, Moretum, Napoli 2004


latest changes here: 20-08-2012 16:42
 


HOME VH / vincenthunink.nl

(c) 2014 V. Hunink

copyright statement  / contact