VincentHunink.nl

Home > ONDERZOEK > VERTALINGEN | EDITIES | PUBL.LIJST | PROJECTEN ||| BRONNEN | INDEX



intro

tekst

bibliografie

 

 

 

Gepijnigde keizers

Over Lactantius en zijn 'Dood van de vervolgers'  


tekst gepubliceerd in: Hermeneus, 79,2007,131-136 (themanummer Constantijn)


[>p.131] Marteltaferelen van christenen die op verschrikkelijke wijze sterven zijn in de vroegchristelijke literatuur niet zeldzaam. Vergelijkbare beschrijvingen van hun tegenstrevers, de Romeinse machthebbers, bestaan ook. Keizers die levend gevild worden, ten prooi vallen aan helse pijnen en slopende ingewandkanker, of die langzaam van binnen door wormen worden opgevreten: zulke scènes zijn te vinden in een merkwaardig geschrift uit de tijd van keizer Constantijn. Het is geschreven door de bekeerde christen, Lucius Caecilius Firmianus Lactantius († 325), en staat bekend onder de naam De mortibus persecutorum, 'Over de manieren waarop de vervolgers stierven'.

Die titel is veelzeggend: het boekje is duidelijk een afrekening. En voor zover de lezer nog twijfel mocht hebben over de strekking ervan, ruimt de schrijver die in zijn programmatische inleiding resoluut uit de weg. Hij stelt triomfantelijk vast dat alle tegenstanders van het christendom vernietigd zijn en dat de kerk zich na moeilijke tijden weer opricht. Dat is te danken aan Constantijn en Licinius:

'God heeft leiders verwekt die de goddeloze, bloedige heerschappij

van de tirannen vernietigden en met zorg vervuld waren voor de

mensheid, zodat thans een dieptreurige tijd als een donkere wolk is

weggevaagd en een aangename, serene vrede de harten van alle

mensen verblijdt.' (1,2; vertaling G.J.D. Aalders).

 

Onder het bewind van de beide keizers is het christendom definitief een officieel toegelaten godsdienst geworden. Lactantius is daar ongetwijfeld tevreden over, maar hij uit zijn blijdschap op een wat merkwaardige manier. Hij geeft geen lof van de 'goede' keizers, maar kondigt een gedetailleerde schildering aan van de vele voorgaande 'foute' keizers die de christenen zo wreed hebben vervolgd. Ze hebben hun verdiende straf veelal pas laat gekregen:

 

'Want God had hun straffen opgeschort om hen als waarschuwend

voorbeeld bijzonder zwaar te doen boeten, opdat het nageslacht daaruit zou

leren dat er slechts één God is, die tevens als rechter vanzelfsprekend de

goddeloze vervolgers zwaar straft.' (1,6)

 

Vanuit een gelovig perspectief zit het dus altijd goed: als God niet straft, dient dat een goed doel, evenals wanneer hij dat, ten slotte, wel doet. En vooral om dat laatste te benadrukken schrijft Lactantius zijn boek: uit de totale vernietiging van Gods vijanden blijken Zijn almacht en majesteit (1,7).

 

[>p.132] Het begin

In eerste instantie grijpt Lactantius terug op de oudste geschiedenis van het christendom in Rome. Dat ligt ook min of meer voor de hand. In zijn tijd zijn vroege keizers als Nero en Domitianus, die op zichzelf al te boek staan als stereotiepe booswichten, tot uitgesproken voorbeelden van christenvijanden geworden. Dat houdt niet in dat deze keizers feitelijk al aan systematische christenvervolging hebben gedaan. Lactantius schildert hen in niet mis te verstane termen: Nero is een 'vervloekte en misdadige tiran' (2,6) en een 'kwaadaardig beest' (2,7) en Domitianus is een tiran met 'goddeloze handen' (3,1). Maar systematische anti-christelijke campagnes kan zelfs hij niet van hen melden. Uiteraard pleit het niet voor Nero dat hij Petrus laat kruisigen en Paulus laat onthoofden, of dat hij volgens bepaalde bronnen op het einde der tijden aan de antichrist vooraf zal gaan (2,7-9). De typering van Domitianus kent zulke details niet en blijft steken in een paar algemeenheden over zijn wrede bewind en zijn vervolging van christenen.  

Moeiteloos springt Lactantius van Domitianus (81-96) naar Decius (249-251). Onder diens bewind heeft volgens historici een beruchte christenvervolging plaatsgevonden, de eerste die werkelijk systematisch was. Lactantius overlaadt de keizer meteen met hoon en haat. Hij wordt gekenschetst als 'vervloekt ondier' (4,1), en binnen enkele regels zien we hem al sneuvelen onder barbarenhanden: 'Zoals een vijand van God dit verdiende, lag hij daar uitgeplunderd en naakt als voer voor wilde dieren en vogels' (4,3; met een interessante verwijzing naar het aloude epische motief van onbegraven strijders).  

Ook bij de beschrijving van een opvolger, Valerianus (keizer van 253 tot 260) gaat de aandacht duidelijk niet uit naar zijn beleid maar uitsluitend naar zijn bestraffing. Deze keizer raakte gevangen in Perzië. Hij moest dienen als opstapbankje voor de Perzische vorst Sapor als die te paard wilde stijgen, om ten slotte na jaren van smaad te worden gevild. Zijn huid werd roodgeverfd en in een tempel tentoongesteld (5,3-6). Daarna is Aurelianus aan de beurt (keizer van 270 tot 275). Direct in de eerste zin wordt hij afgeserveerd als 'van nature abnormaal en onbeheerst' (6,1) en al binnen enkele regels ligt hij vermoord in een plas bloed.  

Het valt op hoe de toon allesbehalve neutraal en zakelijk is. [>p.133] De schrijver geeft geen zakelijke opsomming van foute keizers, maar een sterk gekleurd en vooringenomen relaas, dat veel lezers enigszins onwennig stemt. Heeft dit alles niet meer weg van een wraakzuchtige scheldpartij?

 

Misdaad en lichtpunten

Naarmate Lactantius zijn eigen tijd nadert, krijgen zijn keizerportretten meer omvang en reliëf. Veel plaats is ingeruimd voor de tetrarchen (Diocletianus, Maximianus, Constantius en Galerius). Na een korte karakterisering van de vier misdadige heren (7-9) komt ook hun anti-christelijke beleid uitvoerig aan de orde (10-36). De toon is ook hier niet politiek maar sterk polemisch en pathetisch. De pagina's staan vol met verontwaardigd gepresenteerde anekdotes over de wreedheid, waanzin en misdadige praktijken van de machthebbers.  

Het boek biedt bijvoorbeeld nergens een helder overzicht van de almaar complexer wordende machtsstructuren met twee en soms vier keizers. De argeloze lezer gaat het, integendeel, al gauw duizelen met zoveel verschillende boosdoeners die tegelijk opereren, soms ook in onderlinge haat en nijd.

Af en toe biedt Lactantius wel een kleine adempauze. Zo wordt in hoofdstuk 16 de persoon aan wie het boek is opgedragen, een zekere Donatus, gehuldigd als een roemrijk martelaar en soldaat van Christus, die allerlei verschrikkingen met glans heeft doorstaan. Het is niet moeilijk om te zien dat hij literair daardoor fungeert als het exacte tegendeel van de misdadige keizers. (Uiteraard kunnen ook Constantijn en eventueel de schrijver zelf tot die groep 'niet-vervolgers' worden gerekend.Een andere vorm van variatie wordt bereikt doordat de schrijver soms van vertelvorm wisselt: in hoofdstuk 18 laat hij Diocletianus en Maximianus in een uitvoerige dialoog beraadslagen over de benoeming van opvolgers. Maar de series wandaden, complotten, vervolgingen en misdaden hebben toch de overhand. Alle behandelde figuren zijn fout, zij het niet allemaal evenzeer. Zo is Diocletianus weliswaar misdadig en wreed, maar wordt hij overvleugeld door de arrogante en machtsbeluste Maximianus, die hem opzij zet en roemloos laat afvoeren naar zijn vaderland. Diocletianus' einde wordt pas aan het einde van de tekst aangeduid (42). Daardoor krijgt zijn lot ook een zekere tragische allure. Het lijkt moeilijk om niet iets van sympathie voor deze keizer te voelen, van hoeveel narigheid hij ook wordt beticht.

 

Constantijn en Galerius

Een andere lichtend element in deze verder zo donker gekleurde tekst is de geleidelijke opkomst van Constantijn. Hij wordt door Lactantius geïntroduceerd als 'een bijzonder onberispelijke jongeman, die zonder meer voor de functie van Caesar in aanmerking kwam' (18,10). Hij komt in beeld bij de dood van zijn vader Constantius in 306. Die draagt hem persoonlijk het keizerschap over (24,8), waarna Constantijn in het gebied waar hij heerst, het westen, het christendom toelaat. Deze belangrijke stap wordt door Lactantius slechts met twee korte zinnen genoemd (24,9).  

De jonge vorst wordt door de anderen niet als Augustus, maar slechts als Caesar erkend. Toch weet hij geleidelijk meer invloed en macht te verwerven. Lactantius beschrijft het allemaal niet zeer helder, maar duidelijk is wel dat hij de opkomst van Constantijn als een rode draad in het tweede deel van zijn boek gebruikt. De concurrenten en tegenstanders van Constantijn, die allemaal als Gods vijanden worden beschreven, komen successievelijk aan hun einde, al dan niet gewelddadig. Een dramatisch hoogtepunt wordt hierin wel bereikt met de beschrijving van het einde van Galerius in hoofdstuk 33. Deze figuur wordt getroffen door kanker aan zijn genitaliën. Lactantius weidt vervolgens ruim twee bladzijden uit over de ziekteverschijnselen. Na een mislukte operatie en langdurige bloedingen blijkt de kwaal ongeneeslijk. De kanker grijpt om zich heen:

 

'Zijn ingewanden kwamen etterend naar buiten en zijn hele zitvlak ging over in ontbinding. (...) De kwaal tastte zijn merg aan, drong naar binnen in zijn inwendige organen, waar wormen ontstonden. De stank verspreidde zich niet alleen in het paleis maar in de hele stad. Geen wonder daar de urinekanalen en de anale uitgang niet meer van elkaar gescheiden waren.

Hij werd verteerd door de wormen en zijn lichaam ging onder ondraaglijke pijnen over in ontbinding en verrotting. (...) Tegen zijn wegterend zitvlak werden gekookte warme stukken vlees gelegd om de wormen door de [>p.134] warmte naar buiten te lokken. Toen de brokken vlees uit elkaar gehaald waren kwam er een onvoorstelbare menigte wormen te voorschijn. De ontbinding van zijn etterende ingewanden had zich vruchtbaar getoond een nog veel grotere hoeveelheid wormen te verwekken. Nu de kwaal zich had uitgebreid had een deel van zijn lichaam de normale vorm verloren...' (33,6-10)

 

Een heel jaar lang heeft Galerius onder dit soort ondraaglijke pijnen te lijden. Zo laat Lactantius deze keizer tergend langzaam sterven, met een beschrijving die ronduit morbide overkomt.

De christelijke auteur is niet merkbaar geïnspireerd door de mildheid en vergevingsgezindheid die veelal met zijn godsdienst worden verbonden. Hij lijkt zich bijvoorbeeld eerder te verlustigen aan een zo afgrijselijk mogelijke beschrijving van Galerius' einde. Het is geen passage waarmee Lactantius in moderne ogen sympathie wekt voor de christelijke zaak. Toch is dat waarschijnlijk wel wat hij beoogde. Hij verbindt Galerius' lijden zelfs expliciet met een late poging tot inkeer: de keizer is door zijn kwalen gedwongen om God te erkennen. Op zijn sterfbed vaardigt hij een edict uit waarin hij het christendom erkent.

 

Goden en staatsbelang

De originele Latijnse tekst hiervan, het zogenaamde tolerantie-edict van Galerius, afgekondigd in Nicomedia in 311, is door Lactantius integraal in zijn boek opgenomen en zo als bron bewaard gebleven. Het is een wat merkwaardig getoonzette tekst, waarin nog niet veel sympathie voor het christendom doorklinkt. Eerder lijkt Galerius onwillig te erkennen dat zijn anti-christelijke maatregelen zijn mislukt: daardoor wordt namelijk minder tot de goden geofferd. 'Koppig volhardende' christenen weigeren uiteraard de dienst aan heidense goden, maar vereren ook hun eigen christelijke god niet, zo stelt het edict.  

De strekking van die laatste passage is niet helemaal duidelijk. Mogelijk wijst die erop dat de christenen simpelweg niet de [>p.135] gelegenheid hebben om hun godsdienst te onderhouden doordat alle kerkelijke infrastructuur en organisatie in de vervolgingen zijn verdwenen. Maar het zou er ook op kunnen duiden dat die christenen in Galerius' ogen bewust alle godsdienst hebben opgegeven en dus tot een soort atheïsme zijn vervallen. Een tussenpositie is ook denkbaar: de christenen in kwestie hebben hun godsdienstige praktijk misschien uit nood opgeschort tot betere tijden.  

Hoe dit ook zij, het edict stelt dat de christenen in ieder geval tot enigerlei god moeten bidden, desnoods de christelijke. Het christendom wordt in het edict van 311 dus niet zozeer vrijelijk erkend, als wel schoorvoetend toegelaten omwille van het staatsbelang.

 

Triomf

Naarmate De mortibus persecutorum het einde nadert, stijgt de ster van Constantijn steeds verder. In het jaar 312 behaalt hij zelf een overwinning op tegenkeizer Maxentius. Het betreft de beroemde strijd in Rome op de Milvische brug, waarbij Constantijn op grond van een visioen het christusmonogram op de  schilden van zijn soldaten laat aanbrengen (44). Zijn medekeizer Licinius verslaat in het oosten een jaar later Maximinus Daia, eveneens na een christelijk visioen, dat hem een fraaie gebedstekst dicteert (46,6), waardoor hij wint. Vervolgens trekt Licinius Nicomedia binnen, waar hij op 13 juni 313 een brief van hemzelf en Constantijn aan de gouverneur van Bithynië laat publiceren.  

Deze brief, het zogenaamde edict van Milaan, is een document van beslissend historisch belang. Hierin wordt namelijk het christendom definitief ook in het oosten toegelaten als godsdienst; in het westen had Constantijn immers al in 306 het christendom de ruimte geboden. En anders dan in het voorgaande edict van Galerius is de toon nu zonder meer positief: de keizers zetten zich actief in voor het herstel van de kerkelijke infrastructuur door te bevorderen dat de christenen al hun gebouwen en eigendommen terugkrijgen. 

 Met dit edict uit 313 zijn voor de kerk de tijden van vervolging voorbij, en het mar[>p.136] keert een belangrijk omslagpunt in de wereld van de oudheid. In De mortibus persecutorum vormt het document inhoudelijk de climax. 

Maar het werkje kent nog een paar toegiften. Eerst komt de verschrikkelijke Maximinus Daia aan zijn einde door zelfmoord via de gifbeker:

 

'Na veel zware kwellingen stiet hij zijn hoofd tegen de muur en zijn ogen puilden uit hun kassen. (...) Zo kermend, alsof hij verbrand werd, blies hij zijn misdadige adem uit in een afgrijselijke dood' (49,5-7)

 

Ten slotte worden nog wat goddeloze vrouwen en kinderen van vervolgers geëxecuteerd. De laatste doden zijn, merkwaardig genoeg, twee vrouwen: Valeria en haar moeder Prisca, de dochter en vrouw van Diocletianus (51). Het boek wordt afgerond met een triomfantelijk slotwoord waarin Gods lof gezongen wordt.

 

Christelijk

De mortibus persecutorum is onmiskenbaar een belangrijke bron, alleen al vanwege de erin bewaarde edicten. Maar het zal duidelijk zijn dat het boek ook de nodige vragen oproept. en veel lezers de wenkbrauwen doet fronsen. Met name de agressieve toon en het plezier in gruwelijke details lijken haaks te staan op wat van christelijke teksten verwacht mag worden. Hoe is te verklaren dat Lactantius dit zo heeft geschreven?  

Persoonlijke ervaringen spelen hier ongetwijfeld de hoofdrol. Lactantius was geboren in Noord-Afrika, waar hij een bekend retorica-leraar werd. Misschien wist hij al iets van het christendom, maar hij was nog geen christen. Tussen 290 en 300 riep Diocletianus hem naar de residentie Nicomedia om de Latijnse retorica te beoefenen. Aan het hof maakte hij waarschijnlijk kennis met de jonge Constantijn, die hem later (rond 314) naar Trier zou roepen voor de opvoeding van zijn zoon Crispus. In Nicomedia was Lactantius vanaf 303 getuige van gruwelen bij de christenvervolgingen. Die zetten hem aan het denken. Hij legde zijn ambt neer, liet zich tot christen dopen en trok zich enkele jaren terug in relatieve anonimiteit en armoede. Nog altijd in Nicomedia maakte hij mee hoe de zaken een gunstige keer namen met de genoemde edicten van Galerius (311) en Licinius en Constantijn (313). Onmiddellijk daarna begon hij met schrijven aan De mortibus persecutorum, misschien nog in 313. Hij voltooide het uiterlijk 316 in Trier.  

Deze biografische omstandigheden maken de felheid van de schrijver beter begrijpelijk. Als bekeerling vatte hij een sterke betrokkenheid op bij de christelijke zaak, die hij voortaan met hart en ziel zou dienen. Zijn verblijf in Nicomedia verklaart ook waarom juist vorsten als Diocletianus en Constantijn zoveel aandacht krijgen, en waarom de beide edictteksten geciteerd worden.  

Daarnaast is enige voorzichtigheid geboden bij het beoordelen van de tekst met normen uit een andere tijd. Voor veel lezers van vandaag zal de tekst niet gemakkelijk aanvaardbaar zijn als serieuze verdediging van het christendom, maar christenen in Lactantius' dagen dachten daar vermoedelijk heel anders over. Die waren vast en zeker blij met de zo moeizaam bevochten vrijheid van godsdienst. Zij zullen, met Lactantius, tevreden hebben vastgesteld dat het met al die goddeloze vervolgers eindelijk voorbij was, en dat die hun verdiende loon hadden gekregen. Mildheid en gevoel voor nuances waren op dat moment nog teveel gevraagd.

 

Korte bibliografie

De vertalingen in het artikel zijn afkomstig uit:

Lactantius, De dood van de vervolgers, ingeleid, vertaald en geannoteerd door dr.G.J.D. Aalders (Kampen 1988).

Oudere Nederlandse vertaling: Lactantius, Over den dood der vervolgers, ingeleid en bewerkt door prof.dr.D. Franses O.F.M (Amsterdam 1941).

De beste en meest recente uitgave met Duitse vertaling en noten in de serie Fontes Christiani:

Laktanz, Die Todesarten der Verfolger, übersetzt und eingeleitet von Alfons Städele (Turnhout 2003).

Een recent overzicht van Lactantius' leven en werk, met talloze literatuurverwijzingen, is:

Reinhart Herzog (ed.), Restauration und Erneuerung. Die lateinische Literatur von 284 bis 374 n. Chr. (Handbuch der lateinischen Literatur der Antike, 5) (München 1989) 375-404.

Een nuttig historisch artikel is:

T. D. Barnes, Lactantius and Constantine, The Journal of Roman Studies 63 (1973) 29-46.  

 

 


Radboud Universiteit

Faculteit Letteren

GLTC

NKV

Hermeneus

vertaling tolerantie-edicten


latest changes here: 30-07-2012 16:01

 

HOME VH / vincenthunink.nl

(c) 2014 V. Hunink

copyright statement  / contact