VincentHunink.nl

Home > ONDERZOEK > VERTALINGEN | EDITIES | PUBL.LIJST | PROJECTEN ||| BRONNEN | INDEX


 

'In de schaduw van Caesar'

Hirtius' aanvulling op Oorlog in GalliŽ


tekst gepubliceerd in: Hermeneus 69, 1997, 184-92


In de jaren vijftig van de eerste eeuw voor Christus werd GalliŽ veroverd door Julius Caesar. De beroemde generaal beschreef deze veldtochten zelf in zijn zogeheten commentarii ('aantekeningen'). In zeven boeken Oorlog in GalliŽ krijgt de lezer een fraai gestileerd verslag van de expedities tot en met het jaar 52 v.Chr. Anders dan in vroeger tijden wel is gedacht, en anders dan de nuchtere, strakke stijl suggereert, is het tevens een sterk gekleurd verslag. Caesars verteltechniek blijkt bij nader inzien uiterst geraffineerd: successen worden breed uitgemeten, mislukkingen verdoezeld of gerechtvaardigd, tegenstanders zwart gemaakt en eigen goede eigenschappen verheerlijkt.

Het is dus bepaald niet het onschuldige, naÔef-ambtelijke verslag dat het voorgeeft te zijn. Caesar wil dan ook niet zozeer in alle openheid verantwoording afleggen voor zijn daden, als wel de publieke opinie manipuleren in zijn voordeel. Het werk stelt zijn veroveringstochten in GalliŽ voor als gerechtvaardigde oorlogen in het algemeen belang van Rome, en wil de lezers er vooral van overtuigen dat Gaius Julius Caesar een man is van uitzonderlijke klasse: een slagvaardig generaal, aan wie met een gerust hart de leiding van de staat kan worden toevertrouwd.

Zelfverheerlijking en rechtvaardiging zijn duidelijk de achterliggende motieven waarom Caesar tot publicatie van Oorlog in GalliŽ overging. De vraag blijft echter waarom hij dat in 51 deed, op een moment dat de oorlog nog niet volledig afgerond was. In de jaren 51 en 50 werd er nog her en der in GalliŽ gevochten. Waarom heeft Caesar daarvan geen beschrijving gegeven?

Uitgekiende timing

Voor een antwoord op deze vraag moeten we kijken naar de historische context. In 52 vond in GalliŽ een laatste grote opstand plaats, onder leiding van Vercingetorix. Met de inname van de stad Alesia maakte Caesar daaraan een einde. Dit militaire succes wordt in geuren en kleuren beschreven aan het slot van boek 7, en vormt daarmee een waardige climax van het werk. Caesar kon zijn verovering van GalliŽ in elk geval op bevredigende wijze voorstellen als een afgeronde onderneming.

Dat kwam goed uit, want juist in het jaar 51 kon zijn reputatie dringend versterking gebruiken. In Rome zag het er voor hem, anders dan een aantal jaren tevoren, niet erg zonnig meer uit. Het Driemanschap met de machtige Pompeius en Crassus was uiteengevallen; Crassus was in 53 ter dood gebracht tijdens een militaire actie tegen de Parthen, en Pompeius werkte inmiddels samen met Caesars tegenstanders, de Optimates, die zijn macht wilden breken. In 51 verhevigden ze hun aanval: ze weigerden om Caesars commando in GalliŽ te verlengen en eisten dat hij twee legioenen afstond voor de strijd met de Parthen. Aan de laatste eis gaf Caesar wel gehoor, maar verder gaf hij zich niet gewonnen.

Integendeel, op alle mogelijke manieren zette hij de tegenaanval in. Op politiek vlak voerde de volkstribuun Curio oppositie in de Senaat, waar hij heel wat tegen Caesar gerichte maatregelen blokkeerde. Militair gesproken stelde Caesar zelf orde op zaken in GalliŽ: de laatste opstandjes werden de kop ingedrukt en de buit verdeeld. Door zich clement te tonen zorgde hij ervoor dat de Gallische stammen zich min of meer schikten in de situatie. Zo had hij de sterke machtsbasis waar het hem uiteindelijk om begonnen was: een groot onderworpen gebied, aanzienlijke rijkdom en trouwe legioenen. In deze context van Caesars algehele greep naar de macht past ook de publicatie van zijn propagandistische oorlogsverslag in 51.

Uiteraard hoopte Caesar daarmee politiek succes te boeken en het machtsevenwicht naar zijn kant te laten doorslaan. Dit politieke doel wist hij echter niet te bereiken. De ingewikkelde conflicten waarin hij verzeild raakte resulteerden uiteindelijk in een burgeroorlog. Toen men in Rome bleef vasthouden aan de eis dat Caesar zijn macht zou neerleggen, trok hij vanuit GalliŽ met zijn legioenen ItaliŽ binnen (de legendarisch geworden oversteek van de Rubico), om de strijd met Pompeius aan te gaan. Uit deze felle strijd, die in verschillende landen werd uitgevochten in de jaren 49 tot 45, kwam Caesar als overwinnaar tevoorschijn. Hij werd alleenheerser in Rome, tot 44, toen hij vermoord werd.

Ook over deze oorlog schreef Caesar een verslag: De Burgeroorlog. In drie boeken geeft hij daarin de gebeurtenissen weer van de jaren 49 en 48, eveneens met een sterk verdedigende en propagandistische inslag.

We kunnen constateren dat Caesar zich op politiek opportune momenten geroepen voelde verslag uit te brengen van zijn activiteiten, om zo meer begrip en sympathie te werven. Daarnaast verdedigde hij zijn belangen ook door militair overwicht en politiek opereren. Kortom, hij hanteerde propaganda als onderdeel van een brede strategie. Maar zodra het directe belang ontbrak, gaf hij zich geen moeite meer iets op schrift te stellen.

Zo komt het dat hij de tussenliggende jaren, 51 en 50, gewoon onbesproken liet. Hetzelfde geldt voor de laatste jaren van de Burgeroorlog, 48 tot 45: ook voor die jaren achtte hij een verslag kennelijk niet meer nodig. Dit dit geeft duidelijk aan dat Caesar in het geheel geen geschiedschrijving wilde plegen: volledigheid en objectiviteit waren voor hem geen relevante idealen.

De bescheiden Hirtius

Sommige officieren van Caesar dachten daar kennelijk anders over: zij hebben later gemeend de lacunes in het werk te moeten aanvullen. Zo werd Oorlog in GalliŽ gecompleteerd door Aulus Hirtius (ca. 90-43), een vertrouweling van Caesar en een van zijn naaste medewerkers in GalliŽ vanaf het jaar 54. In een door hem toegevoegd 'Achtste boek' probeerde hij Caesars stijl en aanpak voort te zetten met een verslag van de jaren 51 en 50.

Het boek wordt voorafgegaan door een brief waarin het werk wordt opgedragen aan Lucius Cornelius Balbus, een andere trouwe Caesar-aanhanger, die we ook kennen uit het werk van Cicero. Door Hirtius' brief krijgen we enig zicht op zijn motieven om Boek Acht te schrijven.

───

Beste Balbus,

Naar aanleiding van jouw voortdurende opmerkingen, en omdat mijn dagelijkse weigering niet zozeer het excuus van moeilijkheid leek in te houden als wel een afwijzing uit luiheid, heb ik een bijzonder moeilijke taak op me genomen. Ik heb de Aantekeningen van onze dierbare Caesar over zijn krijgsdaden in GalliŽ aangevuld met de dingen die er nog aan ontbraken, en verbonden met zijn volgende geschriften. Ook heb ik het onvoltooide laatste boek daarvan afgemaakt, vanaf de krijgsdaden bij AlexandriŽ tot aan het einde -- niet zozeer van de burgertwisten, waarvan het eind nog helemaal niet in zicht is, maar van Caesars leven.

Konden de lezers maar beseffen hoezeer ik het tegen mijn zin op me heb genomen deze Aantekeningen op schrift te stellen. Dan was ik gemakkelijker verlost van het verwijt van domheid en aanmatiging, nu ik mezelf midden tussen Caesars geschriften zet. Want het staat voor iedereen wel vast dat er geen werk met zoveel zorg door anderen is geschreven of het wordt door de verzorgde stijl van Caesars Aantekeningen overtroffen. De uitgave ervan had tot doel dat het geschiedschrijvers niet zou ontbreken aan kennis over zulke grote zaken. De Aantekeningen krijgen echter zo'n brede waardering dat het lijkt of voor geschiedschrijvers de weg eerder versperd is dan gebaand.

De bewondering die wij ervoor hebben is nog groter dan die van andere mensen. De rest weet namelijk hoe goed en vlekkeloos hij ze heeft gemaakt, maar wij weten bovendien hoe gemakkelijk en snel. Caesar beschikte enerzijds over talent en een zeer verzorgde stijl van schrijven, anderzijds over grondige feitenkennis bij het uiteenzetten van zijn plannen.

De Alexandrijnse en Afrikaanse oorlog heb ik zelf niet mogen meemaken. Die oorlogen zijn me weliswaar deels bekend uit wat Caesar erover vertelde, maar wanneer ons iets boeit door verrassende of grandioze thematiek luisteren we daar toch heel anders naar dan wanneer we het zelf moeten weergeven en vastleggen.

Maar goed, juist doordat ik alle mogelijke redenen aanvoer waarom ik niet met Caesar op ťťn lijn gezet mag worden, heb ik kans dat men mij arrogantie verwijt. Want nu lijkt het alsof volgens mij iemand op het idee kan komen dat ik met Caesar vergeleken kan worden.

Met vriendelijke groet.

──

Zoals vaak in de Romeinse literatuur is de stijl in deze inleidende brief zeer verzorgd: Hirtius heeft er ongetwijfeld flink aan zitten vijlen, voordat het resultaat de vereiste elegantie en beschaving uitstraalde. In de tekst van Boek Acht is zijn stijl doorgaans aanmerkelijk minder gepolijst.

Blijkens deze brief is Hirtius zich ervan bewust dat zijn boek de ontbrekende schakel vormt tussen Caesars geschriften Oorlog in GalliŽ en De Burgeroorlog: hij plaatst zich 'midden tussen Caesars geschriften'. De bescheidenheid die hij daarbij ten toon spreidt is ongetwijfeld ten dele vals. De Romeinse etiquette vereist nu eenmaal dat een briefschrijver zich niet op de borst klopt bij het bespreken en aanvullen van literaire voorbeelden. Dus is het 'op verzoek', 'tegen zijn zin' en vanuit 'diepe bewondering' dat Hirtius schrijft, en durft hij amper te suggereren dat hij met Caesar zelfs maar vergeleken zou kunnen worden.

Ook voor antieke lezers was de boodschap intussen niet mis te verstaan. Het feit dat Hirtius zijn boek publiceert en aan Caesars werk koppelt is een krachtig signaal van een behoorlijk ontwikkeld zelfvertrouwen. De retorische techniek is overbekend: wat formeel wordt ontkend, wordt juist daardoor indirect nog eens onderstreept. Als Hirtius werkelijk bescheiden was geweest, had hij vooral deze brief in zijn schrijflade moeten houden.

Interessant zijn de methodische opmerkingen over de aard van Caesars werk. Diens commentarii waren bedoeld, zo stelt hij, als basismateriaal dat door echte geschiedschrijvers zou kunnen worden uitgewerkt tot volwaardig literair werk; Caesars werk werd echter zo enthousiast ontvangen dat dit er niet van kwam en er zelfs door werd bemoeilijkt. Bij Cicero lezen we eenzelfde uitspraak, in de mond gelegd van de redenaar Brutus:

──

'[Zijn commentarii] zijn zeer te prijzen. Ze zijn namelijk ongekunsteld, vol eenvoud en charme, ontdaan van alle retorische opsmuk als van een kleed. Hij wilde dat anderen zouden beschikken over materiaal waaruit ze konden putten als ze aan geschiedschrijving wilden doen. Daarmee bewees hij misschien een dienst aan dilettanten, die de stof van allerlei versierselen willen voorzien. Maar verstandige mensen heeft hij juist van het schrijven afgeschrikt. Want in geschiedschrijving is niets zo aangenaam als pure, heldere bondigheid.'

(Cicero, Brutus 262)

──

Ten aanzien van dit methodische punt is de implicatie bij Hirtius overigens duidelijk: hij gaat Caesars verslag aanvullen in zijn stijl, en verwacht ongetwijfeld dat ook zijn werk op zichzelf gewaardeerd zal worden en niet als materiaalverzameling.

Opvallend is verder dat Hirtius geen oog lijkt te hebben voor de propagandistische aspecten van Caesars methode of er wijselijk het zwijgen toe doet. Kritiek leveren op Caesar is voor een medestander als hij natuurlijk nogal lastig. Liever wijdt hij dus nog wat prijzende woorden aan Caesar: deze bezat niet alleen een trefzekere pen wat wij nu nog kunnen bevestigen maar zou ook heel vlug hebben gewerkt. Dat is aan de verzorgde stijl van Oorlog in GalliŽ niet te zien, zodat we hem met recht een begenadigd stilist mogen noemen.

Misschien kunnen we uit Hirtius' brief zelfs afleiden dat Caesar ook verslagen aan anderen dicteerde: het 'vertellen' waar Hirtius zelf getuige van was zal wel geen vrijblijvende borrelpraat geweest zijn.

Het corpus Caesareanum

Afgezien van deze wat vage punten staan er in Hirtius' brief een paar opmerkingen die literair-historisch problematisch zijn. Het gaat hier om de verwijzingen naar aanvullingen bij het latere werk tot aan de dood van Caesar. Hirtius sugge≠reert dat de rest van de geschriften over Caesars oorlogen helemaal van zijn hand is. Daarover wordt tegenwoordig door de meeste geleerden heel anders gedacht.

Het zogeheten 'Corpus Caesareanum' bevat, naast Hirtius' achtste boek, nog een drietal geschriften, tezamen goed voor een boekdeel dat ongeveer even dik is als Caesars De Burgeroorlog, dat erdoor wordt gecompleteerd. Oorlog in AlexandriŽ sluit nauw aan bij het slot van De Burgeroorlog, en verhaalt van de periode september 48 tot augustus 47, met sterke nadruk op de oorlogshandelingen in AlexandriŽ. De stijl wijkt nogal af van die van Caesar, en sommigen menen ook hier de hand van Hirtius te herkennen. Daartegen pleit dat hij bij die oorlog helemaal niet aanwezig was, zoals hij ook zelf expliciet in zijn brief vermeldde. De vrij grote nauwkeurigheid van het werk wordt hiermee lastig te verklaren: het lijkt uitgesloten dat iemand anders dan een ooggetuige de schrijver is. Op een paar plaatsen wordt zelfs de eerste persoon meervoud gebruikt, bijvoorbeeld:

──

Er werd door ons gevochten vanaf de brug en de dam, en door hen vanuit het gebied voor de brug en vanaf de schepen tegenover de dam.

(Bell.Alex. 19)

──

Caesar en Hirtius schrijven in zulke gevallen eerder a nostris ('door onze mensen') dan a nobis ('door ons').

Een tweede werk, Oorlog in Afrika, dat de veldtocht in Noord-Afrika van eind 47 tot april 46 behandelt, komt nog minder in aanmerking als werk van Hirtius. Het werk is vrij eenvoudig van opzet en ademt volgens de deskundigen de geest van een jonge soldaat die enthousiast, maar zonder veel strategisch inzicht de zaak van Caesar aanhangt. Wel komen er, anders dan in Boek Acht en Oorlog in AlexandriŽ, redevoeringen in voor, maar deze zijn naar lengte en stijl niet indrukwekkend.

In het laatste werk, Oorlog in Spanje, wordt het strijdtoneel verlegd naar Spanje, en komt de periode december 46 tot augustus 45 aan bod. De stijl is dermate verschillend van die van Hirtius dat hij onmogelijk de auteur kan zijn. In vroeger tijden sprak men zonder veel aarzeling over 'het slechtste boek in de Latijnse literatuur (...) de taal is in het algemeen ongrammaticaal en vaak onbegrijpelijk' (Rice Holmes, The Roman Republic, 3,298, geciteerd in de Loeb-editie van A.G. Way, blz. x.) Tegenwoordig bezien we dat een beetje anders en wordt Oorlog in Spanje gewaardeerd als belangrijke bron voor onze kennis van de niet-literaire schrijftaal en de taalpsychologie.

Kortom, voor Oorlog in AlexandriŽ komt Hirtius althans in theorie nog in aanmerking als auteur, maar de andere twee werken zijn beslist niet van hem. Hoogstens heeft hij ze door ondergeschikte officieren laten maken, met de bedoeling de teksten zelf nader te bewerken, maar dat blijft niet meer dan een veronderstelling. Hoe dit ook zij, al in de oudheid werd ernstig getwijfeld aan Hirtius' hoofdrol in het Corpus Caesareanum. Zo schrijft Suetonius in de 2e eeuw na Chr. in zijn biografie van Caesar:

──

Wie de schrijver is van Oorlog in AlexandriŽ, Oorlog in Afrika en Oorlog in Spanje, staat niet vast. Sommigen denken aan Oppius, anderen aan Hirtius, die ook het laatste en onvoltooide boek van Oorlog In GalliŽ zou hebben afgemaakt.

(Suetonius, Caesar 56, vertaling D. den Hengst).

──

Maar als Hirtius alleen voor Boek Acht verantwoordelijk is, hoe moeten we dan zijn opmerkingen verklaren? Kennelijk heeft hij wel het plan gehad om alle genoemde werken te schrijven, zoveel volgt uit zijn woorden. Het is niet ondenkbaar dat hij in de brief een voorschot hierop neemt en de zaak zo voorstelt als was het werk al gedaan. Romeinse brieven worden vaak geschreven vanuit het standpunt van de lezer, waarbij voor alles wat chronologisch voorafgaat aan het lezen de verleden tijd wordt gebruikt. De conclusie zou hier kunnen zijn dat het voornemen nooit is uitgevoerd, zonder dat de inleidende brief op dat punt alsnog is aangepast. Volkomen bevredigend is deze verklaring helaas niet en we blijven dus enigszins in het duister tasten.

De zaak wordt er niet helderder op als we naar het slot van Boek Acht kijken. Daar breekt de tekst midden in een zin af waarin Caesar nog nťt niet besluit tot de militaire stappen van een burgeroorlog.

──

Op dat moment was het voor niemand nog een vraag wat er tegen Caesar in stelling werd gebracht. Desondanks besloot Caesar alles geduldig te verdragen zolang er nog enige hoop was op een politieke oplossing in plaats van een militaire. Hij deed zijn best...

(Hirtius, 55)

──

Een nadere analyse toont aan dat er misschien maar heel weinig ontbreekt. Met een enkele zin kan vrij gemakkelijk een nauwe aansluiting met het begin van Caesars werk De Burgeroorlog worden gemaakt. Historisch is er dus geen probleem, maar helaas missen we nu wel een mogelijk slotwoord van Hirtius zelf.

Er blijft uiteindelijk een aantal vraagtekens bij Hirtius' precieze rol in het Corpus Caesareanum, mede door wat hij zelf in de brief zegt. Men kan natuurlijk ook beweren dat die brief niet van Hirtius is, zoals een enkele geleerde tegenwoordig doet, maar dat is een flauwe manier om de problemen te omzeilen.

Schermutselingen en smetten

Hirtius heeft hoog gegrepen, tť hoog. Door zijn ronkende brief gaat een lezer veel verwachten, maar wordt teleurgesteld. Voor een deel is dat niet Hirtius' schuld: in de jaren 51 en 50 gebeurde er in GalliŽ nu eenmaal weinig van belang. Daardoor krijgt de betrekkelijk onbeduidende opstand van een stam als de Bellovaci al gauw onevenredig veel pagina's toebedeeld, evenals wat schermutselingen rond de stad Uxellodunum (een stad van de Cadurci in Zuid‑Frankrijk; het huidige Puy-d'Issolu of Luzech).

Opstandjes en laatste opruim-acties: het kan de doorsnee lezer maar matig boeien. De literaire vormgeving biedt ook al weinig troost: Hirtius' Latijn is, zeker vergeleken met dat van Caesar, rommelig en soms uitgesproken lelijk. Hij formuleert dikwijls onbeholpen en vaag, waardoor de gang van zaken niet altijd helemaal te volgen is, en variatie in de vormgeving ontbreekt nagenoeg. Zo vinden we, anders dan bij Caesar, geen cultuurhistorische uitweidingen of redevoeringen. Ook maakt Hirtius amper gebruik van de vrije indirecte rede, het beproefde stijlmiddel bij historici ter verlevendiging van hun relaas.

Paradoxaal genoeg komt Hirtius door dit alles veel dichter bij het oorspronkelijke concept van commentarii dan Caesar zelf. Uitweidingen en redevoeringen passen immers helemaal niet bij het 'onopgesmukte' karakter van 'aantekeningen' of 'notities'. Juist doordat Hirtius duidelijk in de schaduw van zijn voorbeeld blijft staan, wordt opnieuw duidelijk hoe geraffineerd Caesar als stilist en literator in zijn Oorlog in GalliŽ te werk gaat. Diens schijnbaar kale, maar feitelijk gestileerde werk blijft daardoor ondanks alle oorlogshandelingen steeds boeien.

Anderzijds kun je zeggen dat Hirtius ook recht heeft op enige waardering. Als verteller is hij duidelijk minder doortrapt dan zijn grote voorbeeld. Zo geeft hij in Boek Acht allerlei details die Caesar zelf beslist zou achterhouden. Een passage als de volgende zou men in Caesars eigen relaas niet snel aantreffen:

──

Het vijftiende legioen, dat met Labienus in de winterkwartieren gelegen was geweest, zond hij naar Noord-ItaliŽ. Het legioen moest de kolonies van Romeinse burgers beschermen en zo voorkomen dat er door een overval van barbaren iets ongelukkigs gebeurde, zoals de zomer ervoor met de inwoners van Trieste, die het slachtoffer waren geworden van een onverwachte rooftocht en inval door barbaren.

Zelf vertrok hij om het gebied van Ambiorix te plunderen en te verwoesten. Toen Ambiorix doodsbang op de vlucht sloeg, liet Caesar de hoop varen hem nog in handen te krijgen. Het op ťťn na beste en meest passende was dan, zo vond hij, om in diens gebied alle mensen, gebouwen en vee te vernietigen. Daardoor zou Ambiorix gehaat worden door al zijn mensen (als het lot er al een paar in leven zou laten). Vanwege die grote catastrofe zou hij dan geen enkele mogelijkheid meer hebben om bij zijn stam terug te keren.

Naar alle kanten van Ambiorix' gebied zond hij legioenen of hulptroepen. Toen hij alles had uitgemoord, afgebrand of weggeroofd en een groot aantal vijanden had gedood of gevangen genomen, stuurde hij Labienus met twee legioenen naar de Treveren.

(Hirtius, 24-25)

──

Falende bescherming van Romeinse steden, moedwillige plunderingen en moordpartijen, de hoop opgeven, second best strategieŽn het strookt in het geheel niet met de waardige indruk die Caesar altijd wil maken.

Soms levert Hirtius zonder schroom informatie die Caesar letterlijk onvermeld had gelaten. Een voorbeeld: in c.30 noemt hij de barbaarse opstandeling Drappes, die met hordes barbaren voor paniek had gezorgd in de Romeinse provincie (grofweg de kuststrook langs de Middellandse Zee). Caesar had met geen woord over dit gevaar gerept, misschien omdat het afbreuk gedaan zou hebben aan zijn eigen optreden.

Een ander voorbeeld: wanneer een GalliŽr genaamd Commius als enige weigert om gijzelaars te leveren aan Caesar, schetst Hirtius de achtergrond daarvan.

──

Alleen Commius deed dit niet; die was namelijk bang om zijn leven aan wie dan ook toe te vertrouwen. Dat kwam door iets wat het jaar daarvoor [52 v.Chr.] gebeurd was.

In de tijd dat Caesar in Noord-ItaliŽ was en zich aan zijn rechtspraak wijdde, had Titus Labienus ontdekt dat Commius stammen opstookte en een samenzwering tegen Caesar opzette. Hij meende dat hij dit verraad in de kiem zou kunnen smoren zonder zelf woordbreuk te plegen. Als hij Commius uitnodigde, zou die natuurlijk niet naar het kamp komen. Om geen argwaan bij de man te wekken, probeerde hij dit dan ook niet, maar stuurde hij Gaius Volusenus Quadratus op hem af. Deze moest zogenaamd een gesprek met hem beginnen en ervoor zorgen dat hij gedood werd, iets waartoe hij een paar speciaal uitgezochte centurio's meekreeg. Het gesprek begon en Volusenus pakte de hand van Commius vast -- het afgesproken teken. Maar de centurio slaagde er niet in de man te doden, misschien door onwennigheid en zenuwen, misschien ook doordat Commius' getrouwen hem snel tegenhielden. Toch wist hij hem met de eerste slag van zijn zwaard een zware hoofdwond toe te brengen. Over en weer trok men het zwaard. Wat beide partijen echter van plan waren was niet zozeer vechten als wel vluchten, onze mensen omdat ze dachten dat Commius dodelijk gewond was en de GalliŽrs omdat ze bang waren dat er meer achter die list zat dan ze konden zien.

Vanaf dat moment zou Commius hebben besloten nooit meer in de buurt van een Romein te komen.

(Hirtius, 23)

──

Dit is een nogal smadelijk geheel. Caesars generaal Labienus had in 52 duidelijk niet te goeder trouw gehandeld en een laaghartige moordaanslag beraamd. En dan was de zaak ook nog door klungelwerk verprutst en op een roemloze vlucht uitgedraaid. Geen wonder dat Caesar hierover gezwegen had in zijn boek over het betreffende jaar (boek 7). Maar Hirtius vermeldt het hele verhaal op een haast argeloze manier, hoewel het de Romeinse zaak toch in een ongunstig daglicht stelt.

In het algemeen schrijft Hirtius vanuit onvoorwaardelijke bewondering voor Caesar: blijkens de geciteerde brief maakte hij Boek Acht in de periode na Caesars dood, dus in de jaren 44 of 43, ongetwijfeld mede ter verdediging van Caesars reputatie. Partijdigheid is hem dus niet vreemd, maar hij mist het typische temperament van een propagandist. Misschien moeten we zeggen: Hirtius schrijft met de eenvoudige rechtlijnigheid en het eergevoel van een rasmilitair, en niet met de uitgekooktheid van een politicus en strateeg.

Het einde

Hoe het met de brave Aulus Hirtius zelf verder is gegaan weten we in grote lijnen uit andere bronnen, vooral de brieven van Cicero. Hirtius' eigen uitvoerige correspondentie met Cicero (er is sprake van maar liefst negen boeken) is helaas verloren gegaan. Maar in brieven aan anderen spreekt Cicero regelmatig over hem, bijvoorbeeld over zijn activiteiten als redenaar (bijv. Fam. 7,33 en 9,16) en zijn militaire en politieke optreden. Toch blijft Hirtius ook in deze brieven voor ons een wat schimmige figuur die bij de Grote Namen achterblijft.

Na de moord op Caesar in 44 vocht Hirtius aan de kant van Octavianus (de latere keizer Augustus) tegen Marcus Antonius. We weten dat hij in 43 propraetor was in GalliŽ, dus juist in het gebied waar hij Caesar jarenlang had bijgestaan. Nog in datzelfde jaar sneuvelde hij in de slag bij Mutina, waarna hij een staatsbegrafenis kreeg. Nog vandaag de dag zijn resten van zijn grafmonument, onder de Cancelleria in Rome, te zien. In de literatuur mag zijn succes dan beperkt zijn gebleven, zijn leven liep dus niet roemloos af.


Bibliografische aantekening

Voor Caesars oorlogsverslag zie nu: Caesar, Oorlog in GalliŽ, vertaald en toegelicht door Vincent Hunink, (Athenaeum - Polak & Van Gennep) Amsterdam 1997. In deze nieuwe integrale vertaling is ook Hirtius' 'Boek Acht' opgenomen.

De secundaire literatuur over Hirtius is tamelijk beperkt. Voor een algemeen overzicht en typering van het Corpus Caesareanum, inclusief enige relevante verwijzingen, zie: Michael von Albrecht, Geschichte der rŲmischen Literatur, MŁnchen 1994; I, 343-7.

Het feitenmateriaal over Hirtius' leven staat onder meer bijeen in het artikel in Pauly-Wissowa's Realenzyklopaedie 8,2, kolommen 1955-1962 (door Vonder MŁhll). In deze al wat oudere bijdrage ligt de nadruk vooral op de militaire aspecten. Hirtius' einde wordt erin aangeduid als 'schŲne[r] Soldatentod'.


latest changes here: 30-07-2012 16:01


HOME VH / vincenthunink.nl

(c) 2014 V. Hunink

copyright statement  / contact