VincentHunink.nl

Home > ONDERZOEK > VERTALINGEN | EDITIES | PUBL.LIJST | PROJECTEN ||| BRONNEN | INDEX


 

'Citroenen, ingekrastheid en wijn'

De Romeinen in de poŰzie van H.H. Ter Balkt


tekst gepubliceerd in: Hermeneus 70, 1998, 2-10



Van een groeiend leger Nederlandse auteurs wordt het werk onderzocht op stukjes oudheid en creatieve verwerking daarvan. In die gelederen ontbreekt vooralsnog de naam van een van onze belangrijkste levende dichters: H.H. ter Balkt. Dat is, zo hoop ik te laten zien, ten onrechte.

In zijn omvangrijke poŰtische oeuvre is vooral de laatste jaren een opvallende interesse te zien voor de geschiedenis en historische thema's, en daarbij blijft de Romeinse periode niet buiten beeld. Bij gelegenheid laat Ter Balkt zich bovendien inspireren door beroemde Latijnse schrijvers zoals Vergilius. Belangrijker misschien nog: in een paar gedichten geeft hij een aparte, genuanceerde kijk op die Romeinen door de stem van hun tegenstanders te laten klinken. Redenen genoeg dus om deze Nederlandse dichter eens voor het klassieke voetlicht te halen.

 

Balkend buitenbeen

 

Herman ter Balkt werd geboren in 1939 in Usselo bij Enschede en woont sinds 1967 in Nijmegen. Aanvankelijk was hij leerling-journalist, daarna werkte hij lange tijd als onderwijzer. Tegenwoordig wijdt hij zich geheel aan de Kunst.

Zijn debuut dateert alweer van geruime tijd terug: in 1969 publiceerde hij onder het pseudoniem Habakuk II De Balker de bundel Boerengedichten. De naam en de titel zetten eigenlijk de toon voor heel zijn oeuvre. Het pseudoniem bevat een wel zeer duidelijke verwijzing naar de oudtestamentische profeet Habakuk, zij het niet zonder een flinke dosis zelfspot. Welke profeet zei ooit van zichzelf dat hij 'balkte'? Met Boerengedichten is meteen al een van de centrale motieven in Ter Balkts oeuvre genoemd. Het landleven en de harde natuur, het pre-industriŰle en archa´sche, het leven van eenvoud en ambacht: dat alles blijft in zijn werk tot op de dag van vandaag een belangrijke rol vervullen.

Tegenwoordig mag men weer hardop spreken over de kwaliteiten van het archa´sche, maar het is goed om te bedenken dat de cultuur anno 1969 andere prioriteiten had. In die tijd van 'politieke strijd' en 'experimenten', met zijn sterk stedelijke cultuur, was het werk van Ter Balkt een buitenbeentje. Zijn debuut was dus 'unzeitgemń▀' en als dichter heeft Ter Balkt lange tijd een ge´soleerde positie behouden. Misschien is dat zelfs vandaag de dag nog wel zo, alle publieke erkenning ten spijt.

 

Dwarse aardse poŰzie

 

Ter Balkt is sinds zijn eerste boek vooral bekend geworden als dichter, hoewel hij zich ook wel aan proza en toneel heeft gewaagd. Een ware stroom van kleine en forsere bundels zag sinds begin jaren '70 het licht, steeds voorzien van titels die tot de verbeelding spraken en aanvankelijk vooral naar de agrarische sector verwezen. Na Uier van t oosten (1970) volgde in 1972 de bundel De gloeilampen/De varkens, dat eindigt met een fraaie 'Elegie van de varkens', die op dit moment meer dan ooit actueel is. Een zekere profetische gave kan Ter Balkt inderdaad moeilijk worden ontzegd.

Van de vroege bundels noem ik nog Groenboek (1974), waarvan vrijwel de hele kaft wordt ingenomen door onstuimig groeiende varens, en het prachtige Oud gereedschap mensen moe (1975), dat de lof zingt van ouderwetse en haast vergeten gereedschappen zoals de eg, de wan en de vlashekel.

Aan het eind van de jaren '70 wierp de dichter zijn pseudoniem af, en sindsdien publiceert hij onder eigen naam. Dat lijkt een knieval, maar er blijft een zekere dwarsheid in zitten: Ter Balkt doet niet mee aan het gebruik van voornamen en houdt het hardnekkig bij zijn initialen 'H.H.', die, hardop gelezen, nog een welkom extra effect hebben. Zijn laatste reguliere bundels zijn Ode aan de grote kiezelwal (1992) en Laaglandse hymnen (1993). Uit de laatstgenoemde bundel zal ik straks twee gedichten citeren.

En zoals dat gaat met dichters zelfs al zijn ze buitenbeentjes: ze worden gelauwerd. Ter Balkt kreeg de Herman Gorterprijs, de HenriŰtte Roland Holstprijs, de poŰzieprijs van de stad Amsterdam en, recentelijk, de Karel de Groteprijs van Nijmegen. En wie weet wat er nog in het vat zit.

Zijn dwarse, eigengereide poŰzie wordt tegenwoordig gewaardeerd en zelfs als 'belangrijk' beschouwd. De aardse kwaliteit ervan speelt in de waardering zeker een belangrijke rol. Tegen de sterk academische en hermetische poŰzie van dichters zoals bijvoorbeeld Faverey steekt Ter Balkts werk nadrukkelijk af in zijn concreetheid, betrokkenheid en felheid. Als verklaard vijand van de Verlichting en de Romantiek is Ter Balkt steeds op zoek naar 'diepere gronden' en niet zelden treedt daarbij een wrange, soms boertige humor aan de dag. Steeds heeft hij een groot hart voor de natuur, voor het bezielde en het sacrale. Zoals dat voor een aards dichter past, ligt in zijn werk ook veel nadruk op de taal, in haar basisvormen van klank en ritme. Ter Balkt kiest nogal eens lapidaire formules, bonkige woorden en knallende effecten. Door dit alles bezit zijn werk eigenlijk nog altijd de profetische kwaliteiten waarmee het ooit begon.

 

Zilverstad Rome

 

Het ligt niet meer dan voor de hand dat een dichter die het heden met diepe somberheid beziet, zijn licht opsteekt in het verleden. Het is dan ook niet vreemd dat Ter Balkts gedichten al vanaf het begin verwijzingen naar de oudheid bevatten. In de debuutbundel Boerengedichten vinden we het volgende motto bij de in 1966 geschreven cyclus Wat het vuilnisvat zei (p.43).

 

───

Dit heeft Caesar Amfibius,

vuurwerkmaker,

'alleen

bij maanlicht geschreven

in de zilverstad Rome...'

───

 

Deze paar regels zijn wonderlijk evocatief: in zeer kort bestek vinden we veel licht (vuurwerk, maanlicht en zilverstad) en de suggestieve beelden van de verre stad, het harde ambacht en de eenzaamheid van de werkman. Een zekere identificatie van de dichter met deze vuurwerkmaker lijkt aanwezig. Verder is alles hier heel concreet; de oudheid wordt duidelijk niet aangehaald voor theoretische concepten. Zo wordt verderop in de bundel (p.93) een dichtregel beschreven als: 'scheef als een Romeinse kar.' Het is een flard uit een lange monoloog van 'Habakuks tamme kraai' Corvus, die dus een mooie Latijnse naam draagt.

Wanneer ik alle mythologische verwijzingen zou uitwerken, laten deze stukjes oudheid zich gemakkelijk uitbreiden. Als zoveel schrijvers laat ook Ter Balkt regelmatig beroemde en minder beroemde namen uit de klassieke mythologie vallen. Icarus, Actaeon, Achilles, Hermes, rivieren uit de onderwereld: ze zijn verspreid over alle bundels te vinden.

Maar liever dan snippers te verzamelen wil ik me nu concentreren op enkele complete gedichten waarin de oudheid een belangrijke inspiratiebron is.

 

Wilde vruchten, vers wildbraad

 

Voor het eerste gedicht waarbij ik stil wil staan is een ingewikkelde zoektocht naar verborgen betekenissen en diepere symboliek onnodig: het is meteen zichtbaar dat hier iets Romeins wordt opgeroepen. En wie aan de titel niet genoeg heeft, wordt in de tekst op zijn wenken bediend.

 

───

 

Tacitus op 't Noordzeestrand

 

Tacitus voelt zich lomp op dat strand

Grove sporen slepen de zee in;

noordelijke hemel, blauwe zon...

Ver van Livius' Geschiedenis van de Republiek

streept de regen zijn handschrift door

als de kano's van de Friezen de golven

Rook uit vuurtjes van koemest, schapemest,

nergens een badhuis

De hemel is een pastei,

op de bodem stompzinnige roeiers

 

'Hun spijzen zijn eenvoudig

wilde vruchten, vers wildbraad'

Maan zengt als een oog van brons,

geen nachtegaal boven de klei...

'Goede zeden hebben hier meer kracht

dan elders goede wetten'

schrijft Tacitus leugenachtig neer,

denkend aan de straathoeken van Rome,

de geverfde glimlach van de hoofdstad,

aan de kracht van zilver en marmer

De spotzieke regen

baadt in zijn regels

 

Het is niet zeker of hij daar wÓs

Tacitus in zijn roeiboot,

Tacitus in de lemen hoeven, geklonken

aan de vlucht van de zeevogels, 't karrespoor

Als een vlieg in barnsteen gevangen!

Bitter schrijft de melkdrinker

'Zij hebben geen steden' terwijl zijn tong

de gloed proeft van de triomfboog,

van de dubbelzinnige oogopslag,

van de intriges en de citroenen

 

uit: Hemellichten (1983), p.49-50

───

 

In dit gedicht lezen we hoe Tacitus tegen onze streken aankijkt. Het gedicht stelt hem voor terwijl hij letterlijk aan de rand ervan staat, op het strand van de Noordzee. Met een paar pennenstreken wordt het land opgeroepen: de lucht, de regen, de bodem, de primitieve middelen van de Friezen. Daar tegenover staat de herinnering aan het verre, zonnige Rome, met zijn stadse luxe en zijn haast decadente cultuur.

Dat het bij deze figuur gaat om de bekende geschiedschrijver Tacitus, blijkt duidelijk uit de woorden die hem in de mond worden gelegd. Ter Balkt gebruikt hiervoor woordelijke aanhalingen uit diens monografie Germania. Het eerste citaat over de eetgewoonten is te vinden in Germania 23: cibi simplices: agrestia poma, recens fera. Die passage in de Latijnse tekst begint overigens met een interessante opmerking over het Germaanse gerstenat, dat in Tacitus' ogen maar een armzalige vervanger voor wijn is. Ook de opmerking over goede zeden is letterlijk terug te vinden, in Germania 19: plusque ibi boni mores valent quam alibi bonae leges. Het derde citaat is wat vrijer, maar komt wel overeen met de strekking van Germania 16. Opvallend is hier de vermenging van feit en fictie: de citaten zijn echt, maar Tacitus is natuurlijk nooit in onze streken geweest, zoals het gedicht ook suggereert, en al helemaal niet in een roeiboot.

De simpele tegenstelling tussen de ruige hardheid van de Nederlanden en het zonnige leven in Rome blijkt bij goed lezen iets subtieler te liggen. De primitieve omstandigheden die de figuur Tacitus zo tegenstaan lijken in de loop van het gedicht met steeds meer sympathie door de dichter beschreven. De tegenpool ervan, het verre Rome, blijkt niet zozeer een ideaal te zijn, als wel een decadente en corrupte stad. Vooral in de slotregels, met de triomfboog, de dubbelzinnige oogopslag en de intriges is dat onmiskenbaar.

Dat maakt deze Tacitus tot een dubbelzinnige figuur, met een halfhartige interesse voor de Germanen. Sterker nog: zijn bewondering en beduchtheid lijken gespeeld: het tweede citaat wordt door de dichter becommentarieerd als 'leugenachtig'. De Romeinse schrijver wordt eigenlijk stukje bij beetje uit het gedicht weggeschreven. In de derde strofe wordt zijn aanwezigheid openlijk betwijfeld, en in de slotregels denkt hij alleen nog maar aan zijn verre stad. We zien Rome dan als een verwerpelijke agressor, waarvan Tacitus dan zonder meer de vertegenwoordiger is. Dat de dichter weinig opheeft met deze Tacitus blijkt ook wel uit het laatdunkende 'melkdrinker' waarmee hij getypeerd wordt. Op zichzelf is melk nu niet direct een geslaagd symbool voor de Romeinse cultuur, maar het is hier vermoedelijk bedoeld om hem te contrasteren met de stoere drinkers die de Germanen waren (vgl. Germania 22-23).

Het gedicht is een interessante lezersreactie op Tacitus' Germania. We kijken aanvankelijk door de Romeinse ogen mee naar de barbarij hier, maar al gauw komen we als lezers haast tegenover de Romein te staan. Pas dan krijgen ook de details van de 'spotzieke regen' die zijn handschrift uitwist meer kracht: het hele gebied lijkt zich tegen hem te keren.

 

Een Germaanse kijk

 

Dat Ter Balkt de Romeinse cultuur met ambivalente gevoelens beziet, blijkt ook uit andere gedichten. Aan de ene kant symboliseert Rome de vooruitgang en de beschaving, maar daarbij gaat aan de andere kant ook veel verloren. In een gedicht uit In de kalkbranderij van het absolute (1990) (p.70) heet het dreigend:

 

───

 

de Romeinse winter wast witter dan VIM.

 

───

 

Andere gedichten lijken deze dubbelheid te bevestigen. Misschien het mooiste voorbeeld vormt een tweetal gedichten uit Laaglandse hymnen (1993).

In deze opmerkelijke bundel geeft Ter Balkt een eigenzinnig, kaleidoscopisch overzicht over de Vaderlandse Geschiedenis, keurig chronologisch geordend. Na gedichten over de Steentijd, de periode van de klokbekervolken en trechterbekervolken, de Bronstijd, de tijd van urnenvelden en de eeuwige factor zee ('de zoute gong'), komen de volgende twee gedichten.

 

───

 

De intocht

 

Bosranden; belynxte daken. Veestapel mild bestierd,

Magusanus vereerd, en in de braamstruiken dropen bij

tijd en wijle wolven, everzwijnen af; rook trouw baken

wanneer je verdwaald was; runen wezen altijd de weg.

 

Toen dreunde, een dag, intocht van de taal, beelden

op munten verstomd, bliksemend weerlicht op mijlpalen;

toen bestonden wij pas: geschiedenis nam ons in, met

heldere weefsels, citroenen, ingekrastheid en wijn.

 

Intocht wees onze plaats aan: rebellie! Maar eerst

vervaardigden wij nog bakstenen, bouwden kazernes op,

boden onze rogge aan, wildbraad; langs hun straatweg.

 

Overwonnenen. Maar nu bestonden wij pas. Hoe machtig

hun wereld waarin bliksems heersten, getemde tekens

die alles verlichtten! Wij staken de koppen bij elkaar

 

uit: Laaglandse hymnen (1993), p.16

 

 

 

Blues van de dolende ziel van Marcus Ulpius Heracles,

oogarts, die in de winter van 401/402 de laatste

Romeinse cohorten wegtrekken zag langs

de rivier de Waal

 

Eerst dreunden hoeven, nu dreunen van de laatsten

de voeten. Rietveld buigt in de wind. Sneeuwvlok

daalt als de dunste Romeinse munt, kleeft wit aan

de echo, dekt het dofrood terra sigillata, keizers-

 

koppen op goudstukken, aap in zijn glazen capuchon,

bronzen naalden, epileertangen, kranen, wachttorens

aan de rand van het rijk; de lampen, de godenbeelden,

bekers en lepels; kracht blijft achter en stort zich

 

op het grauwe zand. En het riet weeft mijn afscheid

ongezien, ongehoord ─ mee van hun schreden, zich zo

tomeloos weghaastend van wat mij ketent aan deze

 

verweesde aarde: viermaal mijn naam, Marcus Ulpius H.,

oogarts, op mijn stempelsteen; van vier oogzalven 't

recept dat ooit heelde. Rome wacht, met haar vlammen.

 

uit: Laaglandse hymnen (1993), p.17.

 

───

 

Gezien de ordening van de bundel is het zeker dat het hier over Romeinen en Germanen gaat. Dat blijkt ook uit tal van details. In het eerste gedicht staan aanvankelijk vooral elementen van de Germaanse cultuur, zoals rook en runen, en niet te vergeten de god Magusanus. Van deze God, die vereenzelvigd werd met Hercules, zijn in onze streken beeldjes gevonden en zijn naam komt op een aantal inscripties voor. Wellicht is zelfs de beroemde tempel van Elst aan hem gewijd geweest.

De tweede strofe slaat een andere toon aan: dan doet de Romeinse cultuur zijn intocht. Opnieuw vinden we pakkende symbolen: taal, munten, mijlpalen, weefsels, en nog meer. De Germanen reageren dubbel: rebellie is geboden en koppig verzet hangt in de lucht, maar niet dan nadat ze hebben meegewerkt. Feitelijk danken ze hun bestaan in de geschiedenis juist aan diezelfde Romeinen. Dit wordt heel kort uitgedrukt in het lapidaire: 'overwonnenen. Maar nu bestonden wij pas.'

Het bijzondere van dit gedicht is dat we hier de hele tijd door de ogen van Germanen kijken. De Romeinse intocht zien we vanuit hun perspectief, waarbij, opnieuw, ambivalente gevoelens aan de dag komen. Er is angst en woede, maar ook bewondering voor dingen waar de Romeinen goed in zijn: geschreven taal, organisatie, infrastructuur.

Je zou kunnen zeggen dat de dichter zonder het te willen tˇch weer door Romeinse ogen kijkt. Immers, ongemerkt hanteert hij de normen en waarden van de Romeinen. De gedachte dat men pas 'bestaat' door contact met de Romeinen is zeer Romeins!

 

Oogarts

 

Het tweede sonnet (met een van de langste titels die ik ooit boven een gedicht las), springt een eeuw of wat verder in de tijd, naar het moment waarop de Romeinen zich uit Nederland terugtrekken. Het laat een Romeinse oogarts aan het woord, Marcus Ulpius Heracles, die met leedwezen de troepen ziet vertrekken en vol melancholie nadenkt over het verdwijnen van de Romeinse cultuur. Deze wordt nog maar eens getypeerd met inmiddels vertrouwd klinkende voorbeelden (munten, terra sigillata). Zelf kan deze arts niet meegaan, omdat hij aan dit land 'geketend' is.

Zoiets lijkt historisch alleszins aannemelijk: het was natuurlijk niet zo dat alle Romeinen mee wegtrokken met de legers. Sommigen bleven achter in deze streken omdat ze economisch of anderszins gebonden waren. De naam van de arts is misschien veelzeggend: behalve dat de drievoudige naam hem kenschetst als een Romeins burger, vermoedelijk van Griekse herkomst (daarop duidt het element 'Heracles'), kunnen we in Ulpia een verwijzing zien naar de stad Nijmegen (Ulpia Noviomagus), waar hij woonde: hij is zelfs in zijn naam met de stad verbonden.

In zijn donkere blues-stemming noemt de arts ook een van zijn eigen instrumenten: een vierkante stempelsteen, waarop viermaal zijn naam staat evenals vier recepten van oogzalven.

Op zoek naar mogelijke inspiratiebronnen voor dit gedicht ben ik op goed geluk eens binnengestapt bij Museum Kam in Nijmegen. Al snel vond ik in een van de vitrines een klein voorwerp dat vrij precies aan de beschrijving voldoet. Het gaat om een ca. 2 1/2 cm. brede, vierkante stempel van steen, met op alle zijden in spiegelschrift de naam van de arts Marcus Ulpius Heracles en korte aanduidingen van geneesmiddelen; recepten zijn het echter niet, daarvoor is de ruimte op de stempel ook veel te klein.

De stempel is niet exact te dateren, maar is waarschijnlijk van ver vˇˇr 400. De bedoelde oogarts is namelijk omstreeks het jaar 200 werkzaam geweest in Nijmegen. Zijn naam staat mogelijk ook op een wijsteen, gevonden in de Waal bij Nijmegen, met daarop de volgende inscriptie:

 

───

I(ovi) O(ptimo) M(aximo)

M(arcus) U(lpius) H(eracles)

V(Otum) S(olvit) L(aetus) L(ibens) M(erito)

───

 

De gedeelten tussen haakjes staan niet op de steen zelf en de identificatie is dus niet helemaal zeker, maar de initialen passen bij geen andere bekende Romein uit Nijmegen. Ter Balkt heeft dus niet geaarzeld om de arts veel later in de tijd te plaatsen. Het is duidelijk dat hij deze blues niet had kunnen schrijven als hij de arts in de historisch juiste periode had geplaatst: voor de tijd rond 200 was een blues-stemming niet erg overtuigend geweest. Het poŰtische doel van de dichter heeft hem dus tot die verandering gebracht.

Toen ik wat verder rondkeek in Museum Kam, bleek het niet moeilijk ook andere zaken uit het gedicht te herkennen. Terra sigillata en munten zijn er in natuurlijk overvloed, maar ook naalden en tangen, lampen, bekers en lepels. Toch heeft Ter Balkt zijn inspiratie vermoedelijk elders opgedaan. Het origineel van de genoemde Nijmeegse stempelsteen bevindt zich in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Daar is ook de raadselachtige 'aap in zijn glazen capuchon' te vinden: het gaat om een stuk glaswerk in de vorm van een apenkop. De kranen en wachttorens zijn er door de dichter uiteraard bijgedacht.

Deze archeologische en historische elementen uit het gedicht zijn voor de interpretatie ervan niet wezenlijk. Maar ze maken wel goed duidelijk waar de feiten ophouden en de fictie begint: een paar concrete voorwerpen hebben de aanzet gegeven tot een literair uitgewerkte fantasie.

In dit gedicht overheerst uiteindelijk de melancholie; daar is het dan ook een blues voor. De Romeinse cultuur is hier niet langer bedreigend, maar wordt zelf bedreigd. En onmiddellijk keren de prehistorische leegte en verweesdheid terug.

 

Niets

 

Dat lijkt in laatste instantie ook het enige. Wat overblijft van de Romeinse cultuur is bij Ter Balkt minder dan bij veel collega-schrijvers. In een gedicht dat niemand anders dan Vergilius oproept, schept de dichter een wel zeer somber beeld.

 

───

 

De mist

 

Door de genadige avond gaat de mist, drager

van al het voorgaande, al het vervlogene: o,

verbleekte goden! Zelfs als er al gebergten

waren, zijn ze nu niet meer te zien. Al de bergen

 

die ooit oprezen, goden op hun toppen, alle

verbrijzelende gedachten, zoals die van De-

mocritus van Abdera, voor wie de ziel uit de

fijnste, gladste onder de atomen, vuuratomen

 

bestond: alles heen. Willie slaapt in de kist,

regen slaapt naast de weerman. Somber gonzend

fluit okeren vuurwerk een hymne aan december,

 

raaf de pracht. "Ik bezong: weiden, het land-

leven, helden". Het millennium hinnikt. Niets

daagt op in de mist, Andes van de leegte wacht.

 

 

               "Ik bezong: weiden, het landleven, helden"

               Grafschrift van Vergilius

 

 

uit: Dit verstrijkend ogenblik (bloemlezing, uitg. Gelderse Stichting voor Kunst en Cultuur, 1993), p.14

 

───

 

Het gedicht roept een desolaat beeld op. De ik-figuur zit met oudjaar in zijn huiskamer, met de TV aan (daarop duidt de 'weerman') en de uit zijn andere gedichten bekende kat Willie die onschuldig slaapt. De roemrijke oudheid, die hier, typisch voor Ter Balkt, niet is gesymboliseerd door grootheden als Plato of Cicero, maar door een denker als Democritus, is volledig weg. De bergtoppen, de goden, de denkers zijn allemaal verdwenen. De mist die buiten het huis hangt symboliseert die grote leegte en dat niets. Vermoedelijk is ook hier weer iets concreets (vuurwerk, regen en mist) mede aanleiding geweest tot het gedicht. Wellicht leidde de mist associatief naar de vaak mistige Po-vlakte, met het dorp Andes (bij Mantua), de geboorteplaats van Vergilius.

Het slot van het welbekende grafschrift van Vergilius (Mantua me genuit, Calabri rapuere, tenet nunc / Parthenope; cecini pascua rura duces; ) dat hier als motto onder het gedicht staat, klinkt eerst bijna sarcastisch, maar lijkt toch vooral weemoedig bedoeld. Het is vast geen toeval dat Vergilius hier vooral als dichter van weiden en landleven figureert: dat is immers ook een centraal motief in Ter Balkts werk.

Er is een opvallende parallel met het vorige gedicht, maar het is nu de dichter zelf die weemoedig terugkijkt. Hij is hier zelf een soort Marcus Ulpius Heracles geworden. Het gedicht werd gepubliceerd in een cyclus getiteld 'Laat in het millennium', wat de troosteloze sfeer alleen nog versterkt. Het verleden is weg, de leegte wacht.


 

Fotobijschriften

 

stempel van Marcus Ulpius Heracles, kopie Museum Kam Nijmegen (origineel in RMO Leiden).

 

glazen aap, RMO Leiden

 

inscriptie uit St. Michelsgestel met de naam Magusanus, RMO Leiden

 

 

Bibliografische aantekening

 

Het werk van H.H. Ter Balkt is uitgegeven door De Harmonie en de Bezige Bij, beide te Amsterdam. Voor het vroegste werk gebruikte ik de gecombineerde tweede druk Boerengedichten/Uier van t oosten uit 1974. Behalve in reguliere bundels wordt zijn werk gepubliceerd in bibliofiele uitgaven en via talloze bijdragen aan diverse tijdschriften.

Over Ter Balkts oeuvre zijn amper serieuze literaire beschouwingen of studies beschikbaar. De ge´nteresseerde lezer moet zich dus behelpen met recensies en interviews. Het is te hopen dat Neerlandici snel in deze lacune zullen voorzien.

Wie meer wil lezen over de Romeinse oogarts, kan terecht bij: Ch.L. Raemakers, 'Marcus Ulpius Heracles, de eerste Nijmeegse oogarts', in: Numaga 9,2 (mei 1962), 49-62. Ik dank deze verwijzing aan Louis Swinkels van Museum Kam te Nijmegen. Ook voor de hulp bij het vinden van illustraties ben ik hem erkentelijk.


latest changes here: 30-07-2012 16:01
 


HOME VH / vincenthunink.nl

(c) 2014 V. Hunink

copyright statement  / contact