VincentHunink.nl

Home > ONDERZOEK > VERTALINGEN | EDITIES | PUBL.LIJST | PROJECTEN ||| BRONNEN | INDEX



intro

text

119

121

123

125

127

bibliografie

over de auteur

 

 

 

 

'Seminumida et Semigaetulus

Apuleius, latinist uit Africa'


tekst gepubliceerd in: Hermeneus, tijdschrift voor antieke cultuur, 
78, 2006, 118-127
[themanummer Africa]


De Romeinse letterkunde had de stad Rome als haar natuurlijke centrum, maar lang niet alle grote auteurs zijn er geboren en getogen. In de eerste eeuw n.Chr. was vooral Spanje een belangrijke voedingsbodem voor Rome's literaire talenten: de filosoof Seneca, de dichters Lucanus en Martialis en zelfs de invloedrijke leraar Quintilianus waren Spanjaarden. Met de opkomst van het westerse christendom zou deze focus verschuiven naar de provincie Africa. Daar verschenen de eerste christelijke teksten in het Latijn, zo tegen het eind van de tweede eeuw. Een lange reeks van christelijke auteurs had zijn wortels in Romeins Africa, te beginnen met Tertullianus (ca. 200). Grote schrijvers als Cyprianus, Arnobius en Lactantius bouwden de traditie uit, en de climax wordt wel gevormd door de markante figuur van Augustinus.

Maar de bloei van de latijnse letterkunde in Africa kende ook een paar voorlopers bij wie van christelijke sympathieŽn nog geen sprake is. De grote namen hier zijn die van Fronto, de beminde leermeester van keizer Marcus Aurelius, en bovenal die van Apuleius (ca. 125-eind tweede eeuw), de gevierde redenaar, rondtrekkende sofist, filosoof en schrijver uit Madauros, tegenwoordig vooral bekend om zijn roman De gouden ezel (Metamorfosen).

Plattelandsruzie  

Apuleius' Afrikaanse herkomst is geen zaak waarover we in het duister tasten. De auteur gaat zelf namelijk vrij uitvoerig in op zijn persoonlijke geschiedenis. Dat deed hij in het kader van een lange redevoering uit 158, waarin we een beeld krijgen van het leven in Romeins Africa.

In deze Apologie of Verdedigingsrede wegens magie legt Apuleius omstandig en op retorische wijze verantwoording af voor zijn leven en werk, om zo een aanklacht van magische praktijken te kunnen weerleggen. Hij was ervan beschuldigd dat hij als zwerver en armoedzaaier tijdens een verblijf in Oea (het huidige Tripoli in LybiŽ) had aangepapt met de steenrijke, oude weduwe Pudentilla en haar met onwettige middelen zover had gekregen dat ze met hem trouwde. De verschillen tussen Apuleius en Pudentilla waren zo groot dat men 'toverij' minstens kon aanhalen als een aannemelijke verklaring voor hun onwaarschijnlijke relatie.

Een meer romantische visie zou hier misschien spreken over 'zegen van boven' of 'liefde die alle grenzen overwint', maar daar kwam men in de oudheid niet snel mee voor de dag. Wie de ongeveer honderd pagina's van Apuleius' redevoering leest kan zich niet aan de indruk onttrekken dat in zijn geval noch magie noch romantische liefde de doorslag gaf. De hoofdrol is ongetwijfeld gespeeld door economische en financiŽle motieven.

[begin p.119] Dat geldt minstens voor Apuleius zelf, die als berooide geleerde en avonturier het kapitaal van Pudentilla goed zal hebben kunnen gebruiken. Over zijn vrouw spreekt hij op zijn best met achting en op zijn slechtst in nogal denigrerende bewoordingen: zij, een oude en niet meer knappe vrouw, nam het initiatief om met hem, de beroemde jonge redenaar, te trouwen en hij heeft zich er na aanvankelijk verzet en tegenstribbelen toch maar toe gezet, vooral op verzoek van Pudentilla's oudste zoon. Ook voor de aanklagers, Pudentilla's jongste zoon en enige van zijn vrienden, zullen economische motieven doorslaggevend zijn geweest: het familiekapitaal dreigde hun uit handen te glippen, nu Pudentilla eenmaal was hertrouwd.

Apuleius' roemruchte proces over 'magie' lijkt in de kern niet meer te zijn dan een lokaal conflict over land en goederen. Tussen de regels van de Apologie door staat er voor historici het een en ander te lezen over het alledaagse leven in Romeins Africa. Zoveel bronnen daarvoor zijn er niet, en zo worden de schaarse details die Apuleius loslaat al snel tot relevante bronnen van informatie. Natuurlijk dienen al die details in de eerste plaats retorische doelen voor de spreker, die zijn zaak bepleit en zijn uitgeschreven tekst publiceert voor de hele wereld. Maar met de nodige voorzichtigheid is ook een historische lezing van de Apologie mogelijk.

De algemene indruk van de provincie Africa die men in de tekst krijgt is die van een rijk en gevarieerd gebied met zowel grootgrondbezitters als kleine boeren, met levendige havens en steden, met een bloeiende handel en veel verkeer en contacten, vooral ook met Rome en AlexandriŽ: Africa als dynamisch en ontwikkeld gebied, Africa als vanzelfsprekend onderdeel van de Romeinse culturele wereld. De tweede eeuw staat in het algemeen bekend als een periode van welvaart en stabiliteit in grote delen van het Romeinse Rijk. Inderdaad vertoont ook het Africa van Apuleius nauwelijks enig spoor van geweld en oorlog. Het leven voor het individu is er natuurlijk niet zonder dreigingen en conflicten, maar over de hele linie rijst een tamelijk zonnig beeld van de provincie op. Apuleius zegt het in de Apologie niet met zoveel woorden, maar hij lijkt ook echt trots op zijn land.

Marginaal gebied

Die trots belijdt hij in ieder geval ten aanzien van het gebied van zijn afkomst. Het gaat daarbij om een relatief achtergebleven streek, zeker in vergelijking met een havenstad als Oea of de hoofdstad Carthago. Apuleius was namelijk geboren in Madauros (het huidige M'Daourouch in oostelijk Algerije). Dat was iets waar zijn tegenstanders in het proces laatdunkende opmerkingen over hadden gemaakt. Hij voelt zich dan ook genoodzaakt erop in te gaan.

Dan nu nog iets over mijn geboorteplaats. Jullie hebben aan de hand van mijn eigen geschriften betoogd dat die gelegen is op de grens van NumidiŽ en GetuliŽ. Ik heb me inderdaad in een openbare voordracht in aanwezigheid van de illus≠te≠re heer Lollianus [begin p.120] Avitus een 'half-NumidiŽr' en 'half-GetuliŽr' genoemd. Ik kan helaas niet inzien wat daar zo genant aan is. Schaamde Cyrus de Grote zich soms omdat hij door zijn gemengde afkomst half-MediŽr en half-Pers was?! Je moet niet kijken naar waar iemand is geboren, maar naar zijn geestelijk toebehoren, niet overwegen in welke gewesten, maar met wat voor geweten hij zijn leven is gaan leiden. (...)

Ik heb dit allemaal niet aangevoerd omdat ik me voor mijn geboorteplaats schaam, zelfs als we nog de stad van Syphax waren. In werkelijkheid zijn we na diens nederlaag door een gunst van het Romeinse volk onder gezag van koning Masinissa gekomen. Toen is de stad hersticht via de vestiging van Romeinse veteranen, en sindsdien is onze stad een schitterende kolonie. Mijn vader heeft er aan het einde van een volledige ambtelijke loopbaan de functie van Tweeman bekleed, en gold als de belangrijkste man van de stad. Sinds ik aan de debatten in het senaatsgebouw deelneem, tracht ik voor hem volstrekt niet onder te doen en zŪjn prestige in de staat te bewaren, met, naar ik hoop, gelijke roem en erkenning. [begin p.121]

Waarom breng ik dit dan naar voren? Om te bereiken dat jij, Aemilianus, voortaan minder kwaad op me bent. Misschien kun je me nu eerder vergiffenis ervoor schenken, dat ik, uit onachtzaamheid, per ongeluk niet jouw Zarath, dat bolwerk van cultuur, heb uitgekozen om in geboren te worden. (Apologie 24).

Apuleius was zich ongetwijfeld bewust van de niet al te glorierijke status van zijn geboortegrond. Maar als volleerd redenaar maakt hij van de nood een deugd en tooit zich met zelfgemaakte geuzennamen als Seminumida en Semigaetulus. Die tweede naam is overigens schromelijk overdreven, want GaetuliŽ lag veel zuidelijker dan Madauros.

Spreekt hier de trots van een man die zijn achterstandsgebied nog eens extra benadrukt? Het is wel opvallend dat de naam Madauros in heel de redevoering van Apuleius niet voorkomt, zelfs niet in de passage over zijn geboorteplaats. Daaruit zou toch ook weer een zekere schaamte kunnen spreken. In ieder geval laat Apuleius zich kennen als een eerzaam burger die het opneemt voor zijn stad met haar geschiedenis, en voor zijn familie. Volgens beproefd recept kiest hij ten slotte de aanval en slaat de aanklagers met hķn afkomst om de oren. Ze komen uit een klein, achterlijk dorp en dus, zo is de implicatie, hebben ze de grote redenaar niets te verwijten. En tussendoor viel al het bekende retorische argument dat afkomst er helemaal niet toe doet, maar dat alleen karakter en ontwikkeling tellen.

In deze passage lijkt al met al een mengeling te lezen van schaamte en trots, van bescheidenheid en assertiviteit, van oprechte overtuigingen en retorische inkleuring. Het is lastig om er ťťn ondubbelzinnige boodschap uit te halen.  

Provincietrots

Toch overweegt in Apuleius' houding tegenover Africa waarschijnlijk het positieve, zeker wanneer hij zich als vertegenwoordiger van heel de provincie kan manifesteren. Dat doet hij in verschillende andere redevoeringen, waarvan drieŽntwintig fragmenten bewaard zijn in de bloemlezing Florida. Was de Apologie een redevoering in het juridische genre, de Florida laat voorbeelden zien van ceremoniŽle retorica: redevoeringen die zijn uitgesproken naar aanleiding van een bepaalde gelegenheid, om een persoon, zaak of situatie te bekritiseren of te prijzen. Apuleius treedt hier doorgaans op voor een massaal publiek, in een theater of amfitheater, en geeft er staaltjes van zijn geleerdheid en sprekerstalenten ten beste.

In enkele fragmenten is hij zelfs de officiŽle spreker die namens de hele provincie een Romeins magistraat mag verwelkomen of uitgeleide doen. Dat levert teksten op met hoge graad aan voorspelbaarheid: de zittende of scheidende proconsul is uiteraard de beste van allemaal, een wonder van deugd, wijsheid en integriteit, die in zijn zorg voor de noden van de provincie welvaart en welzijn heeft gebracht. Zo wordt bijvoorbeeld Severianus, proconsul in 162-163, als volgt stroop om de mond gesmeerd:

Wie zou immers niet van u willen leren welk evenwicht vereist is, om die typische [begin p.122]eigenschappen van u te verwerven: charme bij ernst, zachtheid bij principes, kalmte bij volharding, mildheid bij kracht. Geen proconsul van de provincie Africa is ooit, voor zover ik weet, meer geŽerd en minder gevreesd. In geen enkel ambtsjaar behalve het uwe is ter beteugeling van misdaad eergevoel van meer effect geweest dan angst. Niemand anders dan u heeft, bij gelijke macht, vaker voordeel verleend, minder vaak schrik aangejaagd; en niemand heeft een zoon meegebracht die in deugd zozeer zijns gelijke is.

Zodoende heeft geen enkele proconsul langer in Carthago vertoefd. Want zelfs in de tijd dat u op tournee was door de provincie en Honorinus in ons midden bleef, was uw afwezigheid ons niet zozeer een gemis, als wel uw terugkeer ons groot verlan≠gen. Hij bezit als zoon de eerlijkheid van zijn vader, als jongeman de bezonnenheid van een oudere, als legaat het gezag van een oud-consul. Werkelijk al uw goede eigenschappen brengt hij tot uitdrukking en vertoont hij weer. Het zou warempel meer bewondering wekken dat die lof verworven is door zo'n jonge man dan door u -- ware het niet dat ķ hem die heeft gegeven!

En konden we ons maar voorgoed daarin verheugen! Wat hebben we toch aan al die wisselingen van proconsuls? Aan die korte jaren, aan die langsflitsende maanden? Ach, de dagen van de goede mensen gaan zo snel! De tijden van de beste leiders vliegen zo vlug voorbij! Wij, de hele provincie, Severianus, missen u nu al! (Florida 9, 35-39)  

De lof is in onze ogen overdreven, maar we moeten misschien niet teveel naar de inhoud kijken. Wat telt is vooral de hele communicatieve situatie: Apuleius, de beroemde spreker, die zich zonder aarzelen kan stellen naast grote denkers en literatoren (eerder in Florida 9 vergeleek hij zich met de vijfde eeuwse Griekse sofist Hippias), verwoordt namens de hele provincie zijn dank en complimenten. Dat is voor hem niet iets vernederends maar eerder het tegendeel.

De complimenten zijn op zichzelf obligaat in zo'n afscheidsspeech, maar doordat een spreker van naam en faam ze uitspreekt krijgen ze een speciaal cachet. Iets van Apuleius' grote roem straalt uit over de hele speech en daarmee indirect over iedereen namens wie hij spreekt, en zelfs de aangesprokene magistraat krijgt er iets van mee. Dankzij Apuleius' cultuur en eruditie hoeft de provincie Africa dus niet in alle onderdanigheid een kruiperig speechje te houden, maar lijkt zij als het ware vrijwillig, vanuit eigen grootheid, een welgemeend compliment te maken. Zo kan deze rede, in essentie niet meer dan een 'verplicht nummer', de Afrikaanse trots en het Afrikaanse zelfbewustzijn heel wel hebben versterkt.

Natuurlijk laat Apuleius niet na zijn publiek complimenten te geven en te sterken in het gevoel er in de Grieks-Romeinse wereld helemaal bij te horen. Zo opent een ander fragment uit de Florida als volgt:

U bent in zo groten getale hier gekomen om te luisteren, dat ik eerder Carthago moet feliciteren met zoveel vrienden van de cultuur, dan mijzelf moet excuseren dat ik als filosoof bereid ben hier het woord te voeren. De uitgestrektheid van de stad verklaart het grote publiek, en de uitgebreidheid van het publiek bepaalt de keuze van de plaats.  

[begin p.123]

Daarvan afgezien moet je in zo'n gehoor als dit niet kijken naar de vloer met zijn marmerformatie, het toneel met zijn plankencombinatie of het decor met zijn zuilendecoratie; en ook niet naar de uitspringing van het afdak, de glanzing van de cassettes of de ronding van de banken. Je moet er ook niet op letten dat hier anders een komiek grollen uitkraamt, een blijspelacteur spreuken uitroept, een tragediespeler weeklachten uitstort, een koord≠danser kunsten uithaalt, een goochelaar trucjes uitspeelt, een pantomimist noties uitbeeldt, of welke performers er nog meer hun kunnen aan het volk vertonen. Dat moet je allemaal overslaan. Je moet alleen maar hiernaar kijken: waarvoor komt het publiek, en waarmee komt de spreker? (Florida 18, 1-5).

De indruk ontstaat van een gigantisch, luxueus uitgevoerd theater, waar men massaal is toegestroomd om 'de filosoof' Apuleius te beluisteren. Vooral de beschrijving van het theater en alles wat er zoal aan optredens te zien is functioneert indirect als een groot compliment aan het adres van de Carthagers en wekt de suggestie dat we hier niet in een marginale provincie zitten maar in het hart van het Romeinse Rijk.

In een van de laatste fragmenten gooit de spreker er nog een schepje bovenop. Nadat hij eerst zijn eigen literaire talenten en veelzijdigheid heeft aangeprezen eindigt hij met een uitbundige lofprijzing van Carthago.

Wat levert nu meer of stelliger lof op dan het verheerlijken van Carthago? U allen, in heel deze stad, bent uiterst ontwikkeld; bij u wordt elke vorm van kennis door kinderen geleerd, door mannen getoond en door ouderen onderwezen. Carthago, eerbiedwaardige onderwijzeres van onze hele provincie! Carthago, hemelse Muze van Africa! Carthago, Camena van alwie de toga draagt! (Florida 20, 9-10)

Karthago Africae Musa caelestis, Karthago Camena togatorum - dankzij zulke fraaie formuleringen zal het publiek zich sterk bevestigd hebben gevoeld in zijn status. Die bevestiging heeft overigens wel iets van een paradox in zich. Enerzijds benadrukt Apuleius in zijn redevoeringen de lokale, Afrikaanse elementen, alleen al door het noemen van namen als Africa en Carthago, maar dat 'Afrikaanse gevoel' wordt vervolgens duidelijk gekaderd binnen de Grieks-Romeinse cultuur.

Zijn Apologie en Florida leveren een lange rij aan namen en citaten op van beroemdheden uit de geschiedenis en literatuur van Griekenland en Rome. Homerus en Sofokles, Hippias en Protagoras, Alexander de Grote en Cato, cynici, stoÔcijnen en Platonisten, Cicero, Catullus, Vergilius en nog vele anderen: ze worden aangehaald als beroemde voorgangers van een cultuur waarmee Apuleius zich direct en zonder voorbehoud verbonden weet en waarin hij zijn publiek laat delen. Afrikaans bewustzijn leidt dus niet tot een verheerlijking van barbaarse voorgangers of een stimulans tot het spreken van Punisch (een taal waarover Apuleius zich zelfs laatdunkend uitlaat in Apologie 98), maar integendeel tot gretige en trotse toeŽigening van het waardevolste van de mainstream cultuur van de oudheid. Africa wordt opgenomen in de vaart der volkeren!  

[begin p.124] (plaatjes) [begin p. 125]

Afrikaans Latijn?

De cultuurtaal voor Apuleius is onmiskenbaar het Latijn. Maar het moet gezegd: hij doet er wel iets bijzonders mee. Onder zijn handen verandert de taal van een wat plechtstatig en soms stroef en ambtelijk geworden geheel in een wonder van expressiviteit. Nieuwe, zelfverzonnen woorden prijken er naast uit oude boeken opgediepte archaÔsmen. Stijlfiguren en spectaculaire zinsconstructies buitelen er over elkaar heen, allemaal overgoten met dikke lagen rijm-, ritme- en en klankeffecten. Het is moeilijk om in het Nederlands een equivalent te vinden voor wat in Apuleius' Latijn gebeurt, maar men zou kunnen denken aan de vroegste teksten van Hafid Bouazza, misschien niet toevallig een Nederlandse schrijver van Noord-Afrikaanse afkomst. Zou het kunnen dat juist non native speakers als stilisten uiteindelijk veel origineler en inventiever durven zijn dan anderen?

Bij wijze van voorbeeld laat ik hier het eerste fragment van de Florida integraal volgen. Wie het hardop leest, krijgt een aardige indruk van ritme, klank en kleur van het Apuleiaanse Latijn.

Vt ferme religiosis viantium moris est, cum aliqui lucus aut aliqui locus sanctus in uia oblatus est, votum postulare, pomum adponere, paulisper adsidere: ita mihi ingresso sanctissimam istam civitatem, quanquam oppido festinem, praefanda venia et habenda oratio et inhibenda properatio est. Neque enim iustius religiosam moram viatori obiecerit aut ara floribus redimita aut spelunca frondibus inumbrata aut quercus cornibus onerata aut fagus pellibus coronata, vel enim colliculus sepimine consecratus uel truncus dolamine effigiatus vel cespes libamine umigatus vel lapis unguine delibutus. Parva haec quippe et quanquam paucis percontantibus adorata, tamen ignorantibus transcursa.

'Zoals vrome reizigers gewoonlijk, wanneer ze onderweg een woud of een oude, gewijde plaats ontwaren, een wens uitspreken, wat fruit offreren en kort pauzeren -- zo moet ik na aankomst in deze eerbiedwaardige stad, ondanks mijn jachtigheid, uw aandacht vragen, een toespraak houden, haastige spoed inhouden. Want het is niet met evenveel recht dat een reiziger vroom oponthoud oploopt bij een altaar met bloemen bedekt of een grot door bladeren befloerst of een eik met horens bezaaid of een beuk met vellen omkranst; of voorts een heuveltje door een omheining afgebakend, een stronk met een afbeelding vormgegeven, een plag door plengingen natgeworden of een steen met balsem ingestreken. Dat zijn namelijk geringe dingen: een klein aantal mensen informeert er wel naar en vereert ze, maar wie er geen weet van heeft, passeert ze.' (Florida 1)

Het overdadige, bijna onlatijnse Latijn van Apuleius staat overigens niet helemaal op zichzelf. Ook bij andere Latijnse auteurs uit Africa, zoals Fronto en Tertullianus, zijn vergelijkbare fenomenen te zien. Dit heeft in de vorige eeuw geleid tot de suggestie dat Africa een eigen literaire variant van het Latijn kende. Men sprak hierbij wel van [begin p.126] Africitas. Tegenwoordig gelooft niemand meer aan dit concept, al was het maar omdat Africa ook tal van auteurs heeft voortgebracht die keurig klassiek getint Latijn schreven, zoals bijvoorbeeld te zien is in het werk van Cyprianus. Van een oorzakelijk verband tussen expressief, overdadig Latijn en een Afrikaanse volksaard is dus geen sprake. Eerder zijn de overeenkomsten tussen Afrikaanse Latijnse auteurs te verklaren uit de periode waarin zij schreven. In de tweede en derde eeuw had men nu eenmaal een wat ruimere opvatting over wat er in literair Latijn wenselijk was dan in de periode daarvoor.

Een verhaal zonder Africa

Wie Apuleius in zijn redevoeringen heeft leren kennen als een fiere representant van zijn provincie Africa zal ook vol verwachting grijpen naar de grote roman De gouden ezel (Metamorfosen). Maar vreemd genoeg speelt Africa hoegenaamd geen rol in dat verhaal. De hoofdpersoon, Lucius, is afkomstig uit Korinte en als hij mede door eigen schuld is veranderd in een ezel, beleeft hij tal van avonturen in Griekenland. Aan het slot van de roman, wanneer hij zijn mensengestalte heeft hervonden, reist hij naar Rome, waar hij enige tijd werkt als advocaat. In de roman komt de naam Africa niet eenmaal voor, terwijl de naam van Carthago slechts een enkele keer valt, en wel temidden van andere namen in een gebed aan Juno (6,4).

Er is nog altijd discussie onder de geleerden over de tijd waarin Apuleius de roman componeerde en over de vraag welk publiek hij op het oog had. De meeste geleerden kunnen zich wel vinden in een relatief late datering, in elk geval na Apologie en Florida, dus ongeveer het laatste kwart van de tweede eeuw. Maar het beoogde publiek blijft een groot vraagteken. Schreef Apuleius voor de literaire smaakmakers in Rome om zijn naam voorgoed en internationaal in de Latijnse letteren te vestigen? Dat zou kunnen verklaren waarom hij het marginale Africa geheel terzijde laat en zijn verhaal laat spelen in de aloude centra van klassieke cultuur. Of bracht hij juist voor zijn mede-Africanen het in oorsprong Griekse verhaal over in het Latijn en liet hij alles met opzet spelen in een soort Grieks-Romeinse mengwereld, waarin men zich juist op gepaste afstand, in Africa, zou kunnen spiegelen, net zoals dat gebeurde in de retorische teksten van de Florida? Ook zo zou de roman zich uitstekend laten verklaren.  

Het enige houvast lijkt hier te bestaan in de cruciale rol van de Egyptische godin Isis, die Lucius aan het slot van de roman redt en tot haar priester maakt. Komt alle heil voor de Grieks-Romeinse cultuur dan toch, haast ongemerkt, uit Africa? Het is een fascinerende gedachte: Apuleius die de oude godsdienst uit Africa presenteert als redding van de antieke wereld, misschien wel als een alternatief voor het opkomende christendom. Helaas kan Egypte niet zonder meer gelden als Africa, al ligt het in hetzelfde continent. Bovendien worden de laatste jaren vraagtekens gezet bij de ernst waarmee de Isis-religie in de roman ten tonele wordt gevoerd. Wordt de goedgelovige [begin p.127]Lucius niet eerder bespot en bedrogen door de Isis-priesters, en valt daarmee het zogenaamde religieuze alternatief niet volkomen in het water?

Het zijn lastige vragen waarop een definitief antwoord niet mogelijk is. Vaststaat in ieder geval dat Romeins Africa in Apuleius een van zijn beste en beroemdste schrijvers heeft gevonden. Al bij leven werd hij geŽerd met standbeelden in Carthago (getuige Florida 16) en ook na zijn dood bleef zijn roem groot. Zo maakt Augustinus gewag van een standbeeld van Apuleius in Oea en is er in Apuleius' geboorteplaats Madauros een sokkel gevonden waarop een beeld heeft gestaan van een philosophus Platonicus, een titel waarvoor maar ťťn kandidaat denkbaar is.

Apuleius bleef dus minstens lokaal bekend als persoon en schrijver, maar ook zijn literaire werk bleef in omloop en vond in Africa telkens weer nieuwe lezers. Dat blijkt uit diverse plaatsen in het werk van Augustinus. Tegenwoordig is Apuleius' positie als schrijver nauwelijks meer betwist: zeker met zijn verrassend moderne roman behoort hij tot de wereldliteratuur.




Korte bibliografie  

De geciteerde vertalingen zijn van de hand van de auteur van dit artikel. Ze zijn uitgegeven in drie afzonderlijke boeken: Apuleius, Toverkunsten, pleidooi na een aanklacht wegens magische praktijken, (Amsterdam 1992); Apuleius, Pronkpassagen & Demonen (Amsterdam 1994); Apuleius, De Gouden ezel (Metamorfosen) (Amsterdam 2003). De twee eerstgenoemde vertalingen zijn inmiddels niet meer via de boekhandel leverbaar; de teksten staan online ter beschikking via www.vincenthunink.nl (s.v. onderzoek, vertalingen).  

S.J. Harrison, Apuleius, A Latin Sophist (Oxford 2000)  

B. Hijmans, Apuleius orator: "Pro se de Magia" and "Florida", in: Aufstief und Niedergang der rŲmischen Welt 2,34,2 (1994) 1708-78  

V. Hunink, The persona in Apuleius' Florida, in: Maaike Zimmerman, Rudi van der Paardt, Metamorphic reflections, essays presented to Ben Hijmans at his 75th birthday (Leuven 2004), 175-187, m.n. 182-185.  

C. G. Schlam, The Metamorphoses of Apuleius, on making an ass of oneself (Chapel Hill / London 1992)

G. Sandy, The Greek world of Apuleius, Apuleius & the Second Sophistic, Leiden 1997.



Over de auteur

Vincent Hunink (1962) is universitair docent Latijn en oudchristelijk Latijn aan de Radboud Universiteit Nijmegen, en redactielid van Hermeneus. Hij publiceert regelmatig vertalingen van antieke teksten, recentelijk onder meer Leren sterven (brieven van Seneca) (2004) en De Regel van Augustinus (2005). [www.vincenthunink.nl]  

 


Radboud Universiteit

Faculteit Letteren

GLTC

Vertaling Metamorfosen

Apuleius-bijdragen op VincentHunink.nl

 

 


latest changes here: 30-07-2012 16:01


HOME VH / vincenthunink.nl

(c) 2014 V. Hunink

copyright statement  / contact